dinsdag 28 september 2010

Democratie en democratisch



Iedereen weet wat democratie is: besluiten worden genomen op basis van een meerderheid die beslissend is. Maar ons begrip van wat democratisch is, volgt hier niet automatisch uit. Democratisch betekent in onze perceptie dat iedereen zijn zegje heeft kunnen doen, en dat er naar die mensen ook geluisterd is. Dat vervolgens de meerderheid alsnog beslist, is een onvermijdelijk gevolg, maar niet de hoofdzaak van wat democratisch is.

Het belangrijkste bezwaar van veel mensen tegen de regering in Den Haag de afgelopen twintig jaar, is dat men niet het gevoel had dat er naar hen werd geluisterd. Hoewel de formele kant van de democratie netjes de gebaande paden volgde, keerden meer en meer mensen zich af van het proces, omdat ze geen moment het gevoel kregen dat er naar hun argumenten werd geluisterd. Wie wordt weggezet als mens met onverkwikkelijke gedachten, zonder begrijpelijke argumenten daarvoor te horen, zal niet snel geneigd zijn zich democratisch behandeld te voelen.


Een goed democratisch proces verloopt zonder spelregels vooraf, aangaande de gedachten die zijn toegestaan, óók als die gedachten abject zijn. Gedurende het proces van besluitvorming zullen in een ideale situatie de gedachten die maatschappelijk onacceptabel zijn door argumentatie het pleit verliezen. Dit is nooit fijn om te ervaren, maar de ervaring van het debat is ook voor de verliezers louterend, niet in het minst omdat het hen in de gelegenheid stelt een volgende maal sterker onderbouwd een nieuw debat in te gaan.

Naarmate debatten vaker gevoerd worden langs dezelfde lijnen, ontstaan reflexen, paradigma’s en taboes die het debat sturen, maar tegelijkertijd ontdoen van de essentie van een vrije meningsvorming. Dit is niet onoverkomelijk in een situatie waar er een redelijke mate van communis opinio bestaat over wat al dan niet wenselijk is wat betreft de randvoorwaarden van het debat.

Anders wordt het in situaties waar een groeiende minderheid zich tekort gedaan voelt in haar ruimte afwijkende standpunten naar voren te brengen, zonder dat er tekenen zijn dat er van die argumenten nota is genomen. Het gevolg is een groeiende frustratie van een groeiende groep. De wijze waarop verkiezingen geacht worden een uiting van de volkswil te zijn, faciliteert dit proces, aangezien het politieke debat verloopt volgens de regels die de bestuurlijke elite overeengekomen is.



Het proces dat ik hierboven beschrijf is de essentie van wat zich de afgelopen jaren in Nederland heeft afgespeeld. De communis opinio van de bestuurlijke elite ging in steeds sterkere mate afwijken van wat in de maatschappij als wenselijk werd gezien, althans van wat men ten minste bespreekbaar wilde maken. De paradigma´s van de bestuurlijke elite ontwikkelden zich tot taboes, die het onmogelijk maakten bepaalde maatschappelijke problemen aan de orde te stellen, anders dan volgens de regels die de bestuurlijke elite zich tot natuurwet had gemaakt.

De opkomst van partijen als SP en PVV is onmiskenbaar een signaal dat zich een verwijdering tussen bestuurlijke elite en bevolking voltrok, welk signaal onvoldoende werd onderkend, met als gevolg een verdere groei van deze partijen. Deze partijen zijn intern lang niet altijd georganiseerd volgens de lijnen van de formele democratie, noch in formele besluitvorming, noch in de wijze waarop beslissingen over de te volgen politiek koers tot stand komt. Dat neemt echter niet weg dat ze wel degelijk democratisch zijn, volgens de definitie van het verschil tussen democratie en democratisch, zoals ik dat hierboven heb gedefinieerd. De partijleiding van deze groeperingen geeft richting aan breed gedragen gevoelens in de maatschappij, door goed te luisteren naar de meningen in de achterban, èn de potentiële achterban.

Dit is waar Martin Bosma op doelde toen hij stelde dat er in de PVV geen behoefte is aan formele democratische structuren, omdat de partijleiding zich voldoende op de hoogte houdt van wat er speelt in de achterban. Het ultieme argument is inderdaad gebaseerd op de resultaten zoals die naar voren komen tijdens verkiezingsuitslagen, maar ook tijdens opiniepeilingen. Welbeschouwd is de PVV aldus een stuk democratischer dan veel Nederlandse systeempartijen, welke een deel van hun standpunten baseren op filosofische grondslagen die maar weinigen ten volle begrijpen, en die geenszins bepalend zijn voor de keus voor die partijen tijdens verkiezingen.

maandag 27 september 2010

Alles is racisme



Volledig genegeerd door de Nederlandse MSM verscheen in het Verenigd Koninkrijk een klein berichtje in de Daily Mail over de Race Relations Act 2000, die kort door de bocht geformuleerd voorschrijft hoe om te gaan met racisme.

Een hoge adviseur van de Londense burgemeester Boris Johnson, Munira Mirza, vertelt daarin dat scholen verplicht zijn om ook zeer jonge kinderen te rapporteren als zij een uitspraak doen die kan worden aangemerkt als racistisch. Tussen 2002 en 2009 zijn op die manier 280.000 kinderen gerapporteerd. Meer dan een kwart miljoen!

Munira Mirza:
‘The more we seek to measure racism, the more it seems to grow.

Teachers are now required to report incidents of racist abuse among children as young as three to local authorities, resulting in a massive increase of cases and reinforcing the perception that we need an army of experts to manage race relations from cradle to grave.

Does this heightened awareness of racism help to stamp it out? Quite the opposite. It creates a climate of suspicion and anxiety.’


Vanaf de rijpe leeftijd van drie jaar worden kinderen dus al gerapporteerd.

Gaat dit nog over racisme? Het lijkt me heel dubieus. Kinderen observeren veel directer dan volwassenen, die geacht worden te beseffen wat wel en niet sociaal acceptabel is. het is juist de ongekunsteldheid van jonge kinderen die hier wordt gerapporteerd.

Het werd me deze week nog eens extra onder de neus gewreven door mijn dochter van zeven, die een van haar nieuwe buurjongetjes ter onderscheiding omschreef als 'bruin'. Adequaat. Hij was bruin, en ze zij het zonder nadruk, maar simpelweg als aanduiding. Ze vond hem ook gewoon aardig, en sprak enthousiast over het spel dat ze hadden gespeeld.
Als ze het kind had omschreven als een achterlijke autist had ik dat minder fijn gevonden. Overigens was dat evenmin te ontkennen geweest, het kind in kwestie is een niet al te zwaar geval dat dagelijks een gespecialiseerd dagverblijf bezoekt. Maar dat kwam niet in haar op, ze neigt er naar het goede in mensen te zien.

In mijn eigen jeugd kreeg iemand met rood haar al snel de aanduiding Rooie. Ik herinner me een jongen van wie zo rond de puberteit de verkleuring al zo ver ingezet was, dat je het eigenlijk niet meer zag. Maar oude bekenden begroeten hem tot op de huidige dag steevast nog met 'Rooie', terwijl hij zelfs al aardig kaal begint te worden. Er waren bijnamen die me minder plezier zouden geven.

Door de nadruk te leggen op bepaalde termen en er een taboe omheen te creëren is niemand geholpen, óók de kinderen die een bepaalde bijnaam krijgen niet. Kwalificaties worden pas beledigend als ze als zodanig bedoeld zijn, en dat maakt het onmogelijk om dit soort zaken tegen te gaan. Als mensen de intentie hebben om te kwetsen is er altijd wel een term beschikbaar die een stigma draagt, of krijgt.

Focussen op bepaalde woorden, termen of kwalificaties is zinloos, en bovendien contraproductief. In onschuld gegeven benamingen krijgen door ingrijpen van geschokte ouders een veel zwaardere lading dan gerechtvaardigd is. Ze reflecteren eerder de eigen interpretatie en de gevoelens van de ouders, dan dat van de kinderen.

Kinderen moet je daarmee niet belasten. Taal is een stuk gereedschap. Net zo min als je messen kunt verbieden omdat het mogelijk is er iemand mee te doden of verwonden, is het verbieden van in onschuld gegeven kwalificaties zinvol.

Er komen altijd weer andere termen, al dan niet eufemistisch, terwijl het de lading en intentie zijn die de mate van kwetsendheid bepalen. Dat geldt niet alleen voor het geven van een benaming, maar ook voor hoe de benaamde er zelf mee omgaat. Benadrukken dat bepaalde termen niet gebruikt mogen worden is stigmatiserender voor een persoon of groep dan het op zijn beloop laten. Laat die kinderen gewoon spelen.

dinsdag 14 september 2010

Parkeerbeheer



We vergeten wel eens dat de essentie van het parkeerbeleid was de oude binnensteden bereikbaar te houden. Een verstandige gedachte.

Helaas nam al snel een heel ander paradigma bezit van dit slagveld, namelijk dat auto's geheel uit binnensteden verbannen zouden moeten worden. Vol overgave stortte een kudde subsidiesnaaiers zich op deze tot dan toe onbewerkte akker, die thans rijkelijk is ingezaaid met allerhande buurtclubjes, pressiegroepen, stratenmakersbedrijven, parkeergarages, parkeercontrolebedrijven en buurtpolitici die zich er een platform mee hebben verschaft. Deze kleine opsomming geeft al aan dat het zich tot een industrie heeft weten te ontwikkelen.

Industrieën die zijn gebaseerd op overheidsmaatregelen hebben vrijwel altijd ongezonde bij-effecten, omdat de verwevenheid van overheid en bedrijfsleven een garantie is voor naar corruptie geurende praktijken. Men begrijpt elkaar. Overheidsdienaren kunnen hun carrière niet zelden beter betaald voortzetten bij de door de overheid in het leven geroepen bedrijfjes, en langzaam begint de boel een penetrante geur af te scheiden.

Vandaag kwam de Amsterdams zender AT5 met een bericht, dat een aantal plaatselijke ondernemers parkeerdienst Cition er van verdenken, de parkeermeters expres kapot te laten, in de hoop dat mensen de kans nemen dat ze sneller terug zijn bij hun auto dan naar een volgende straat te moeten lopen naar een andere automaat. Dat kost ondernemers geld, want daardoor blijven klanten korter in hun winkel.

Het verweer van Cition, dat men alleen betaald wordt voor wat de meters opbrengen, niet voor de boetes, klinkt in eerste instantie redelijk. Niet dat het klopt. Het grootste deel van de parkeerders zal wel degelijk mopperend doorlopen naar de volgende meter. Dat kost Cition dus niks.

Wie wat dieper kijkt, beseft dat er iets anders aan de hand is dan de boetes die in het voordeel van Cition zouden zijn. De woordvoerder van het bedrijf meldde, dat meer dan 95% van de 3700 automaten het gewoon doet. Een eenvoudige rekensom laat echter zien dat het bedrijf voor ±185 automaten zijn hand niet in het vuur steekt. Dat is veel te veel.

Hoeveel manuren zijn benodigd die allemaal te herstellen, en hoe groot is de onderhoudsdienst van Cition? Cition is duidelijk niet gebaat bij een onderhoudsdienst die niet full-time bezig is. Dat kost namelijk geld, meer geld dan het opbrengt om alle automaten voortdurend operationeel te hebben. Vanuit het bedrijf geredeneerd lijkt een voortdurende achterstand van twee weken reparaties optimaal. Dat kan daardoor in drukke tijden oplopen tot minstens een maand. Cition heeft dus wel degelijk een belang om niet alle automaten voortduren werkend te hebben. Zou er iets over staan in het prestatiecontract tussen gemeente en parkeerdienst, als dat al bestaat?

De gemeente heeft namelijk ook een belang, want de boetes die worden uitgedeeld komen de overheid ten goede. Dit betekent tegelijkertijd, dat de gemeente weinig oog zal hebben Cition aan te vuren haar zaakjes op orde te krijgen. Als puntje bij Amsterdammertje komt, is een nauwkeurige controle van deze parkeerdienst financieel nadelig voor alle betrokkenen.

Behalve de burgers natuurlijk. Maar die hebben het belang van een verstandig parkeerbeleid door de uitzuigpraktijken van lokale overheden al lang uit het oog verloren.

dinsdag 7 september 2010

De sluipmoord op de nationale staat



Weet u het nog, dat referendum op 1 juni 2005? Voor het eerst in de geschiedenis van het land kreeg de bevolking een directe vraag voorgelegd: Wilt u de Europese Grondwet, ja dan wel nee?

62% van de Nederlanders stemde tegen, een ongelofelijk percentage.

Het was het eerste en vermoedelijk voor lange tijd ook laatste referendum in ons land gehouden. Na twee jaar dolle paniek werd in 2007 ongevraagd een licht geëdite versie van diezelfde grondwet onder dreiging van kabinetscrisis door het parlement geloodst, in een flagrante schending van beloften aan het electoraat. Want we gaven daarmee geen soevereiniteit weg. En dus was er geen reden voor een referendum, aldus JanKlaassen Balkenende.

Dit schoot me dus door het hoofd toen ik vorige week donderdag een klein berichtje op Elsevier zag, waarin kort gezegd weer kond werd gedaan van een nieuw stukje verlies van soevereiniteit: het toezicht op banken, verzekeraars en financiële markten komt onder het gezag van de ambtenarenmoloch in Brussel. Geruststellend voegt het artikel er aan toe:


De nieuwe toezichthouders kunnen ingrijpen bij financiële instellingen, maar ze kunnen niet zonder meer nationale controleurs buitenspel zetten.

Niet zonder meer.

Wat een omineuze formulering. Mijns inziens betekent dat, dat ze precies kunnen doen wat ze willen, maar achteraf zal men verantwoording moeten afleggen. En hoe het zit met de verantwoording die de EU aflegt, dat weten we ondertussen wel. Voordat de filters van het systeem geopperde bezwaren hebben verwerkt ben je zo een jaar of vijf zes verder, en dat is dan nog slechts de procedure waarbij de EU niet uit volle macht tegenspartelt.

De betreffende Kamercommissie zal zich er ongetwijfeld mee bezig hebben gehouden, men zal verzekeringen hebben gevraagd, er zullen garanties zijn gegeven. Echt, ik geloof het. Maar niet dat we er wat aan zullen hebben. Of dat het iets uitmaakt.

Soevereiniteit die je weggeeft krijg je alleen maar terug door de hele EU en bloc de deur uit te zetten.