dinsdag 28 december 2010

Zwakte



- Belangrijke vraag: maakt het internet dat mensen zich seksueel afwijkend gaan ontwikkelen? #durftevragen #wilhetechtweten -

- Ik bedoel eigenlijk: zijn al die pedofielen gemaakt (door internet) of 'zo' geboren? -

- Zijn pedofielen echt geïnteresseerd in kinderlichamen of wekt 't virtuele aanbod, de aandacht en 't verbod de interesse? -

Een setje tweets in mijn Twittertijdlijn vanmorgen. Niet iets voor een kort antwoord, dus ook niet om direct op te reageren. Maar, het liet me niet los, en gedurende de dag dwaalden mijn gedachten er naar terug. Blijkbaar, ook als ik er niet concreet aan dacht, was mijn onderbewustzijn er nog steeds mee aan de gang.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik er geen verstand of kennis van heb, behalve wat boerenverstand. Dat geeft wat ik hier opschrijf mogelijk iets obligaats, maar ik wil het van mijn lever af. Schrijven is ook therapie, uiteindelijk. Op die wijze werd De Volkskrant jarenlang gebombardeerd met bekentenisbrieven van mannen die in therapie hun zonden tegen hun wederhelft opschreven. En als het dan eenmaal opgeschreven was, zou het toch jammer zijn zo'n brief niet te versturen. Niet dat ze ooit geplaatst werden, maar u begrijpt hoop ik wat ik bedoel.

Ik zie een soort gemene deler, iets heel treurigs eigenlijk. Zwakte. Frustratie ook, over die eigen zwakte. Daders lijken altijd een beetje minne mannetjes, niet alleen wat betreft hun misdaad, maar ook daarvoor al, in het algemeen. Ik associeer het niet met, laten we zeggen, de gemiddelde Chippendale-stripper.

Het zijn vaak de rustige, timide mannen in weinig stoere beroepen die er last van hebben. Geen kerels die je tijdens een duistere nacht een donker steegje in zouden kunnen sleuren, die je nadat je ze 's avonds gepasseerd bent nog wat ongemakkelijk vanuit je ooghoek in de gaten houdt. Geen kleine Napoleons, die hun postuur compenseren met een sterke persoonlijkheid.
Het zijn juist de gedweeë mannetjes die ertoe niet in staat lijken, waarmee je je kinderen het minst kunt vertrouwen. De onderliggers, zowel fysiek als geestelijk. De kinderlokker waarvoor ik in mijn jeugd werd gewaarschuwd werd, als je terugkijkt, ook onbewust afgeschilderd als een wat sneue figuur.

Met bovenstaande typering geef ik impliciet al aan niet te geloven in een aangeboren afwijking, maar eerder in compensatiedrang, de drang om met de wereld een nieuw evenwicht te bereiken. Je ziet soms met kinderen al, dat ze niet goed gelijk op kunnen met hun leeftijdgenoten, en dan met jongere kinderen gaan spelen. Mensen zoeken een vorm van erkenning, ook al is die kunstmatig en tijdelijk. Zeker als ze die in de maatschappij op geen enkele normale wijze kunnen verwerven. Als dat doorschiet, krijg je via projectie een fixatie op kinderen, die immers de verpersoonlijking van onschuld zijn. Ze geven niet het weerwerk dat een normale een volwassen persoonlijkheid levert.

De schandalen van wat zich veertig jaar geleden in de katholieke kerk afspeelde illustreren een dergelijke situatie. Niet alleen waren de daders vaak zelf door een dergelijke senior misbruikt (wat ook een vorm van legitimatie verschaft voor de beperkten van visie), zij maakten deel uit van een systeem dat weinig erkenning van hun persoonlijke kwaliteiten verschafte, om van liefde en sociale contacten nog maar te zwijgen.

Bovendien maakt de gelegenheid de dief, zoals het spreekwoord zegt. De kinderdagverblijven moeten op deze mensen een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben, omdat het zoveel gelegenheid tot compensatie biedt. Keizer in een beperkt universum, aanbeden door de kinderen.

Ik geloof dan ook niet dat het internet er veel mee te maken heeft. Het lijkt meer met macht te maken te hebben. Seksuele relaties tussen mensen kennen zeer vaak een machtscomponent, hoe het evenwicht ook ligt. Kinderen, die geen benul hebben van het seksuele element, zijn per definitie manipuleerbaar, ook voor heel zwakke persoonlijkheden. Zwakke persoonlijkheden, met een drang zich toch te manifesteren.

Wie geestelijk onmachtig is, probeert dat niet zelden met fysieke agressie op te lossen. Tijdens mijn studie werkte ik vaak in een studentencafé, waar ook een intelligent en goed uitziend meisje kwam, dat de gewoonte had heren die wat te bijdehand werden een draai om de oren te geven. Hard. Als portiers was het beneden onze waardigheid terug te slaan, maar nadat ik haar had uitgelachen om het zwaktebod van het slaan werd ik van haar behandeling uitgezonderd: niemand wil graag voor zwak worden versleten. Respect verdienen is niet altijd gemakkelijk, en volgt soms rare wegen.

Dit stukje is in de eerste plaats een persoonlijke ontboezeming hoe ik naar kindermisbruikers kijk. Therapie? Het lijkt me moeilijk. Te verontschuldigen is het nooit, en als het onderdeel van iemands psychisch profiel geworden is, lijkt de kans op herhaling me enorm. Hoe zielig deze figuren ook zijn, het belang van kinderen moet voorop staan. En god bewaar diegene die aan míjn kind komt.

maandag 20 december 2010

Het islamdebat in De Balie 19 december 2010



In Het Parool staat een verslag van het Islamdebat, dat gisteren in De Balie werd gehouden. Er waren vele prominenten van Islamkritische huize aanwezig, en maar weinig belangrijke vertegenwoordigers met een positief Islam-beeld. Sjoerd de Jong (NRC-journalist) kun je toch moeilijk als prominente Nederlander beschouwen.

Het verweer moest dus komen van de opgekomen mohammedanen zelf. Dat verweer kwam er ook, maar tegen de wetenschappers en mensen als Frits Bolkestein is het niet gemakkelijk optornen. De emoties liepen bij tijden wel hoog op. Carel Brendel benadrukte via Twitter dat de chaos van de bijeenkomst niet uit het Parool-verslag te destilleren viel.

Het gevolg laat zich raden: er was een debat, er werden stellingen uitgewisseld, er werd door belanghebbenden geprotesteerd tegen de stellingen, en vervolgens ging het publiek naar huis en maakten de panelleden onderling wat beter kennis. Om daarvoor een groot debat op te tuigen was een beetje overdreven, eigenlijk. Want het was te voorzien dat het zo zou gaan.

Afgaand op de recensie viel de weinig plooibare houding van de Belgische wetenschapper Wim van Rooy op, die poneerde dat alleen uit harde confrontaties voortgang voort kon komen. Dit doet ons in zekere zin on-Belgisch aan, maar hij heeft zeker gelijk. De tijd van omfloerst taalgebruik is voorbij, er is al genoeg schade door aangericht.

De bijdrage van Frits Bolkestein is in zekere zin onderbelicht gebleven. Volgens het Paroolverslag ging hij minder ver in zijn stellingname dan Wim van Rooy, maar kwam met de uitspraak:


''In plaats van ons bezig te houden met een beschouwing van de islam is het beter om te kijken naar het gedrag van moslims.''

Dit is echter een zéér vergaande uitspraak! En dat het niemand opvalt, illustreert hoe ver het debat zich al heeft ontwikkeld.

De politieke basis van een partij als de PVV is, dat men zich richt tegen de islam, maar niet tegen de moslims. De reden hiervan is heel simpel: als men zich zou afzetten tegen 'de moslims', dan ligt het verwijt van discriminatie direct klaar, en dat is dan ook niet onterecht. Het is in het geheel niet eenvoudig te spreken over 'de moslims', zonder stigmatiserend te worden. Waarschijnlijk is het zelfs onmogelijk.

Dat deze uitspraak van Bolkestein vrijwel ongemerkt passeert, toont, dat er een omslag in het denken over de gehele problematiek plaatsvindt.

Het debat over de immigratie en integratie-problematiek heeft zich dusdanig ver ontwikkeld, dat men er eigenlijk niet langer aan ontkomt specifieker te worden, omdat we zullen moeten toegeven dat niet alle volgelingen van de islam over één kam te scheren zijn. Dat we dit punt bereikt hebben is winst, maar wie de weg er naar toe nauwkeurig bestudeert ziet hoe lang en omzichtig de term 'de moslims' krampachtig is vermeden.

De goede bedoelingen achter de antidiscriminatiewetgeving hebben het lang onmogelijk gemaakt de problemen te benoemen. Nu is echter het punt bereikt dat dat niet langer gaat, zonder de goede mohammedanen te kort te doen.

Wie die goede mohammedanen zijn, is het volgende probleem, en juist die discussie is gevaarlijk. Evenals het gevaarlijk is, alle mohammedanen over één kam te scheren, is het onmogelijk het debat te beperken tot de overlast die we hebben van ongedisciplineerd tuig met een moslimachtergrond. Want het probleem is wel degelijk geworteld in de islam, en de culturele achtergrond van een groot deel van zijn aanhangers.

Het benoemen van het probleem is essentieel voor het formuleren van een oplossing. Eén van de zaken die zeker zal moeten worden aangepakt, is de agressie die onder de vlag van de islam de opvoeding van de nazaten van de islamitische immigranten binnensluipt. Dat die verbonden is met een religieus element van meerderwaardigheidsgevoelens waarvoor in brede maatschappelijke zin geen erkenning gevonden wordt, is een zorgelijk fenomeen. De aangewezen weg lijkt te lopen via de moskee, maar die weg is de afgelopen twintig jaar onbegaanbaar gebleken.

Wat een extra handicap blijkt is de gebrekkige ambitie bij een groot deel van de mannelijke nakomelingen van de immigranten. Waar de meisjes een inhaalslag realiseren, blijft het overgrote deel van de jongens hangen in een misplaatst superieur zelfbeeld. Omdat deze zelfgenoegzaamheid ten opzichte van de meisjes cultureel gestimuleerd wordt binnen de eigen groep, ontstaat hier een steeds grotere kloof binnen deze bevolkingsgroep als geheel.

Hier moet radicaal een einde aan worden gemaakt, en dit kan alleen maar op pijnlijke wijze, door een doelbewuste politiek tegen dat gewraakte zelfbeeld te voeren. Dat zal verre van makkelijk zijn, en veel maatregelen die denkbaar zijn, zijn tevens stigmatiserend voor deze mannelijke nakomelingen van de immigranten. Waar nog aan moet worden toegevoegd dat het weliswaar voor een heel groot deel van deze groep nodig is, niet voor allemaal.

vrijdag 17 december 2010

Kunst? Ego!



We zijn decadent. Het is een beetje een goedkoop openingsstatement, maar ik houd van helderheid. De decadentie is overal om ons heen terug te vinden: in onze verkrampte maatschappelijke ordening, in de hysterische wijze waarop onze rechtsspraak tracht absolute waarheden te realiseren die slechts bestaan in een illusoir paradijs dat ons nooit zal geworden, en in de kunsten die een reflectie zouden moeten zijn van onze idealen. Er is meer, natuurlijk. Ons leven is er mee doordesemd, zodanig, dat we het ons nog zelden bewust zijn.

Op bijna onmerkbare wijze werd ik uit mijn sluimer gewekt door een artikeltje achter op het NRC Handelsblad van gisteravond. Het is lang geleden dat ik op die krant geabonneerd was, en ik mis haar niet. Behalve wellicht om de stukjes op de achterpagina, waarop ooit de fine fleur van de Nederlandse columnisten zich verzamelde. Ooit.

Het was aldus met enige weemoed dat ik me liet leiden naar die plek waarop een zeer lezenswaardig stukje van Gerrit Komrij stond. Hij had een negatieve mening over het blije van alledag, waarbij ik slechts instemmend kon knikken. Komrij begrijpt het.

Nu ik er toch was, bekeek ik de rest: in Amsterdam-West wordt een beeldhouwwerk geplaatst. Nu is de oorsprong van het beeldhouwen de substantiëring en meerdere glorie van het goddelijke, en lang was dat haar enige functie. Met de opkomst der beschavingen voelden ook de heersers daarvan zich voldoende god in eigen land om zich ook via steen te laten verheerlijken voor het nageslacht. Zo doende ontstond de vergoddelijking van de mens in steen, maar nog steeds was het een eerbetoon. Beeldhouwers lijken het nog steeds zo te zien, de werken van iemand als Rodin, en met hem vele anderen, stralen dat uit.

In het begin van de 20e eeuw begon het perspectief te kantelen, en kreeg ook het abstracte zijn plaats in de beeldhouwkunst. Het is niet gemakkelijk het abstracte te verbinden met een religieus eerbetoon, en dat gebeurde dan ook steeds minder. De beeldhouwkunst raakte los van zijn wortels. De kunstenaars lijken nog nauwelijks te beseffen wat hun wortels zijn. Ik chargeer, natuurlijk, maar met voldoende reden om zulks te rechtvaardigen.

Terug naar Amsterdam-West. Het liefst een beeld met het Ajax-logo, wilden de jongeren in de probleemwijk waar het beeld zou komen te staan. Die jongeren snapten het. Iets wat je belangrijk vindt, iets dat je wilt eren. Het beeld kwam in hún park, ze zouden er ook bij gaan helpen, in de gedachte dat ze zo meer betrokken zouden raken bij het wel en wee van de buurt.

Maar het werd dus een beer.

Een betonnen beer van tien meter hoog, met een kussen onder zijn arm.

De jongens hebben hun inspraak gehad, en de kunstenaar heeft met hen gesproken. Niet dat de kunstenaar de jongens heeft weten te overtuigen: er was een budget, er was een plek, er was een kunstenaar. Dat was genoeg. De jongens deden niet meer mee. Dat vindt de kunstenaar niet erg, want het gaat om wat híj vindt. Nu.

In het artikeltje vinden we nog wat zelfgenoegzaam gepruttel over buurtbewoners die soms komen kijken. Alsof ze er omheen zouden kunnen, midden in hun wijk. Nu staat er in zijn naaktheid het in beton gegoten opgeblazen ego van deze moderne kunstenaar, die nog steeds iets goddelijks denkt te verheerlijken. Namelijk zichzelf.

Het is jammer dat er zo'n grote speld voor nodig is om een tien meter hoge beer van beton te vernielen, want de aanvechting broeit in mij. En ik ben er zeker van dat de jongens uit die buurt me graag zouden helpen. Al was het maar als uiting van hun cultuur.