dinsdag 15 november 2011

Staatsleningen II



Nadat vorige week werd aangekondigd dat de regeringsleider van zowel Italië als Griekenland worden vervangen, keerde vrijdag de rust op de effectenbeurzen enigszins terug, en veerden de koersen weer omhoog. Veel belangrijker, ook de rente op de Italiaanse 10-jaars-staatsleningen zakte terug onder de als magisch ervaren grens van 7%. In de Europese hoofdsteden werd opgelucht adem gehaald: het had gewerkt, eindelijk!

Onzin, natuurlijk.

Want de rente op de obligatiemarkten liep gewoon verder op, voor de landen die in de problemen zitten. Italië was dan wellicht even uit de frontlijn verdwenen, maar dat is niet meer dan een adempauze. Nog diezelfde vrijdag liep plotseling de rente van 10-jaarsleningen op Sloveense staatsleningen op naar ongeveer 7%, zonder duidelijk aanwijsbare reden.

Obligaties
De obligatiemarkten werken anders dan de aandelenbeurzen. Reacties daar zijn langzamer, maar (iets!) minder onderhevig aan de waan van de dag. De beurshandelaren die vrijdag de koersen nog positief hadden beïnvloed, zorgden er afgelopen maandag al voor, dat opnieuw sprake was van een zwarte dag op de beurzen, die zich vandaag (14.00 – meer dan 2% negatief, Europabreed) voortzette.

Ook vrijdag al liep de rente voor landen als Spanje, Frankrijk, en België sterk op. De opmars van Spanje nadert met 6,24% vandaag al aardig de 7%-grens, België blijft niet ver achter en Frankrijk zweeft rond de 3,5%.

Maandagochtend was er opnieuw goed nieuws, zo leek het. Italië haalde 3 miljard op met een 5-jaars-staatslening, tegen een rente van 6,29%. De 10-jaars-leningen stonden op dat moment op 6,42%. Overigens, een maand geleden moest bij een soortgelijke veiling van een 5-jaarslening nog 5,32% rente worden betaald. Wel was er ditmaal meer interesse voor de lening dan een maand geleden meldde men opgewekt. De vraag was 1,47 keer groter dan het aanbod, vergeleken bij 1,34 keer vorige maand. Maar in de loop van de middag ging de rente weer sterk omhoog. Vandaag stond zij weer boven de 7%.



Speculatie
Ook vandaag nam het Europarlement een regeling aan, die het speculeren met staatsleningen tegen moet gaan. Short selling van staatsleningen is niet langer toegestaan, en het gebruik van CDS wordt aan banden gelegd. Mosterd na de maaltijd, want de maatregel gaat pas in november 2012 in, en het is hoogst dubieus of er dan nog een euro in zijn huidige vorm bestaat.

Erger nog, is dat deze maatregel het werkelijke karakter van de speculatie niet onderkent. Uit het artikel van Juvenalis kan de goede lezer al concluderen, dat de werkelijke speculanten niet de handelaren in obligaties zijn, maar de regeringen, die die obligaties uit geven. Wat nu over de speculanten wordt gezegd is een jij-bak van de eerste orde. Het zijn de regeringen van de euro-landen die deze situatie hebben gecreëerd, en het gaat niet aan hun geldverschaffers er nu van te beschuldigen, dat zij deze crisis hebben veroorzaakt.

Zoals men consumenten de laatste jaren duidelijk probeert te maken: geld lenen is niet gratis, want gratis geld bestaat niet. Dat zouden ook regeringen zich eens ter harte dienen te nemen. De bankencrisis van 2008 noodzaakte veel landen hun staatsschuld gevaarlijk te laten oplopen. Inderdaad. Maar goed rentmeesterschap betekent dat je ten minste een veilige marge dient aan te houden voor als de nood echt aan de man komt. Het is heel duidelijk dat de Europese regeringen dat hebben nagelaten, zodat zij, en zij alleen, schuldig zijn aan de nu ontstane situatie.




De financiële markten hebben ondanks de omwentelingen in Griekenland en Italië nog steeds weinig vertrouwen in de eurozone. Alle belangrijke beurzen gingen omlaag. De Amsterdamse AEX-index sloot 1,4 procent lager. In Milaan was het verlies 2,3 procent.



Politiek
De verontwaardiging die uit bovenstaande inleiding van dit artikeltje bij de NOS spreekt, illustreert de algehele verbijstering bij politici. Maar de uitspraken van de huidige gezagsdragers worden niet langer beschouwd als betrouwbare leidraad voor komende ontwikkelingen. Of dat zijn oorzaak vindt in de onwil/angst zaken te benoemen die paniek zouden kunnen veroorzaken, of volstrekte onkunde doet daarbij eigenlijk niet langer ter zake.

Het schijnt niet tot politici en MSM te zijn doorgedrongen, dat deze crisis niet langer een spin-off is van politieke verlamming, maar dat deze relatie zich heeft omgekeerd: de politieke crisis wordt nu gestuurd door de ontwikkelingen op de kapitaalmarkten. Ergens deze zomer is de EU de regie kwijtgeraakt door als een stelletje Naarder beurtschippers door te sukkelen op de ooit uitgezette koers, en de storm waarin men daardoor verzeilde stuurt hen nu naar op een onvermijdelijke schipbreuk. De vraag is niet langer of die schipbreuk komt, maar wie op tijd in de boten stapt.

Maar dat weinig leidende politici dit tot zich door hebben laten dringen verbaast me niet erg. Door op Brussel te vertrouwen staat de radar niet langer ingesteld op meer dan korte termijn gebeurtenissen, zodat het nu aan de markten is de bokken van de schapen te scheiden. Wie in ogenschouw neemt welke landen diep in de problemen zitten, en welke landen nog een tamelijk comfortabele positie hebben, ziet dat de obligatiemarkten precies dát doen.

Het lijstje van vanmiddag 15.30 uur
Italië - 7,01%, een plus van 20 basispunten (0,2%)
Spanje - 6,24%, een plus van 20 basispunten
Frankrijk - 3,58%, een plus van 17 basispunten
Duitsland - 1,75%, een min van 3 basispunten

De kleine krimp in het tweede kwartaal van de Nederlandse economie deed ook de Nederlandse rente een klein beetje oplopen, waardoor de spread met Duitland iets (8 basispunten, nu 62) toenam. Economische journalisten spreken nu van aanvallen op alle landen in de eurozone die niet Duitsland zijn, wat ik een sterk overtrokken, om niet te zeggen hysterische reactie vind. Kapitaalverschaffers dekken zich in tegen toekomstige risico's.

Zoals Juvenalis vanmiddag betoogde, vertrouwen is het belangrijkste onderpand voor staatsleningen. En dat vertrouwen is voor een groot deel verdampt door het handelen van de leiders van de eurozone het afgelopen half jaar. Het verdwijnen van dat vertrouwen zorgt er voor, dat kapitaalverschaffers zich steeds minder richten op wat politici zeggen, maar steeds sterker op de onderliggende economische werkelijkheid. En pijnlijk genoeg is de situatie in de eurozone slecht, en zijn de vooruitzichten twijfelachtig. Behalve aan de PIIGS, twijfelen de markten nu ook aan Frankrijk en België, zit Slovenië in de verkeerde hoek, en is Cyprus, getuige haar kredietrating, in stilte opgegeven.

Hiermee zijn de lijnen getrokken tussen de twee blokken. Een voortgaande groei van de spread kan alleen eindigen met een boedelscheiding. Om politieke redenen is het het meest logisch om Frankrijk bij de sterke zone te houden, al zullen de sterke landen voor het voorrecht van dat Franse (en daardoor Belgische) gezelschap vermoedelijk al stevig moeten betalen.

Sarkozy heeft nu een gruwelijk dilemma: moet hij de PIIGS laten glippen in de hoop aan te mogen haken bij de neuro, of moet hij realistisch zijn, en het tweede echelon gaan aanvoeren? De noordelijke zone is vermoedelijk een stuk beter af zonder Frankrijk, ook wat politieke slagkracht betreft. Een tussenoplossing, de koppeling van een aparte Franse munt aan de neuro, bevredigt mij niet, maar is om politieke redenen een te verwachten compromis.

Bewijs
Wat garandeert u nu de realiteitszin van bovenstaande analyse? Het is een simpel feit, waarover politici zo min als MSM graag spreken. De Duitse rente is op dit moment bijna een half procent lager dan het officiële (conservatieve) inflatiecijfer in dat land. Toch zijn Duitse staatsleningen zo gewild, dat ook vandaag deze rente nog een paar basispunten verder zakte. Het is de lakmoesproef van het vertrouwen op de markten. Zo lang de Duitse rente substantieel lager ligt dan het inflatiecijfer, is deze crisis nog niet voorbij. De markten geloven de politici niet langer, en de (defensieve) aankopen van Duitse schuldpapieren bewijst dat.

Staatsleningen I



Hoe zit dat eigenlijk met staatsleningen? Waarom zijn we die ooit aangegaan?

Op de keper beschouwd bestaan er voor staten (ook voor consumenten overigens) maar drie redenen om geld (of goederen) te lenen tegen rente:

1) ter investering
2) consumptief
3) noodlening

In alle gevallen wordt geleend op basis van een onderpand, dat in het geval van nationale staten uit toekomstige inkomsten bestaat. Mede onderdeel van dit onderpand is daarom de onuitgesproken, maar zeer navrant aanwezige verwachting, dat een land in staat zal zijn de aangegane verplichtingen daadwerkelijk terug te betalen. Die onuitgesproken verwachting is middels het gevraagde rentepercentage ook verwerkt in de leenovereenkomst. Hoe betrouwbaarder een land, des te lager het rentepercentage. De hoogte van de rente functioneert tevens als verzekeringspremie tegen het niet nakomen van verplichtingen.

Natuurlijk zijn er niet zelden ook andere gronden waarom investeerders verwachtingen een rendement te behalen. De delfstoffen die een land bezit steunen de kredietwaardigheid van veel staten, aan welke men anders nog geen stuiver zou uitlenen.

Bij staatsleningen gaan de verstrekkers er a priori van uit, dat het karakter van de gevraagde lening een investeringskarakter heeft. Kredieten moeten immers ooit worden terugbetaald, en daartoe moet worden geïnvesteerd in zaken die op termijn voor het welvaren van een land belangrijk zijn, en haar inkomsten vergroten. Die investeringen kunnen bestaan uit het aanleggen van bruggen, wegen en vestingwerken, want zij leggen de basis voor economische groei en het behoud er van. Dit is de feitelijke basis van de theorieën van Keynes. Ook het in stand houden van een goed functionerend leger en/of vloot is een investering die zich vroeger op de langere termijn terugbetaalde. Wie zijn zaakjes niet op orde had, moest zich in geval van nood voorzien van middelen tegen een hoge rente.

Noodleningen, zoals feitelijk door de Nederlandse staat aangegaan bij de bankencrisis in 2008, zijn noodzakelijk als gevolg van calamiteiten waaraan de staat het hoofd moet bieden, maar waarvoor men geen voorzieningen getroffen heeft, en die van een dusdanige omvang zijn, dat zij evenmin tijdelijk aan de lopende middelen kunnen worden onttrokken zonder de staat ernstig te ontwrichten.

Noodleningen ontstonden dan ook, toen middeleeuwse vorsten die plotseling in een onvoorziene oorlog raakten, dan wel extreem slecht presteerden op het slagveld, in de problemen raakten. Vaak volstond het verpanden van toekomstige belastinginkomsten (de bevolking was dus ongewild eveneens deel van het onderpand!), en bij het ontbreken van een reguliere kapitaal markt zoals in de moderne tijd, werd er niet zelden onderling geleend van andere vorsten die belang hadden bij het overeind blijven van de in nood verkerende prins. Zo betaalde de UK vorig jaar eindelijk de laatste oorlogslening in WO I verkregen van de USA af. Frankrijk is daarmee nog steeds doende.

Door het karakter van noodleningen was de rente daarop vaak heel hoog, ook omdat het risico uit de aard der zaak hoger was dan men bij investeringen redelijk acht. Een vorst als Philips II van Spanje ging tegen het einde van de 16e eeuw binnen een jaar of acht vier keer failliet. Dit als illustratie van het risico dat zijn geldschieters liepen. Dat men hem van geld bleef voorzien, had alles te maken met de inkomsten die het Spaanse rijk had uit de onmetelijk rijke wingewesten in Zuid-Amerika. Philips II ging echter meer verplichtingen aan dan zijn staat kon hanteren, en verkeerde om die reden immer in geldnood.

In dezelfde tijd begon ook de Republiek der 7 Provinciën geld te lenen, niet zelden van dezelfde geldschieters als Philips II, hun grote tegenstander. In het woord ‘staatslening’ valt dat ook terug te vinden. Door de percentages die beide partijen betaalden valt ook in te schatten hoe deze financiers de kansen van beide partijen in schatten, maar dat gaat voor de strekking van dit artikel iets te ver.

Ongeveer in deze zelfde periode verloren veel edelen hun prominente positie die zij sinds de middeleeuwen bezaten. Edelen hadden op basis van hun bezittingen een goede toegang tot geldschieters, en velen gebruikten die voor consumptief krediet. Aangezien consumptief krediet betekent, dat u nu alvast inteert op toekomstige inkomsten om in het heden wat comfortabeler te kunnen leven, kunt u zich voorstellen dat dat niet oneindig goed gaat. De levensstijl die de adel er op na hield was niet betaalbaar uit hun lopende inkomsten, en ze consumeerden zich maatschappelijk het graf in.

Die onmatige opname van voor consumptie bedoeld krediet ligt aan de basis van de huidige problemen van de EU-staten.

donderdag 20 oktober 2011

De koningin is niet dood



De VARA liet bij DWDD een filmpje zien, dat berichtte dat de koningin niet dood was.

Grote paniek.

Vervolgens: grote verontwaardiging. Want dit soort filmpjes zaait maar paniek, zo verwees een groot deel van de boze mensen naar hun eigen initiële onrust. Ik kan er niet aan ontkomen het gevoel te hebben, dat de belangrijkste boosheid van deze mensen op zichzelf is: ze voelen zich betrapt op sensatiezucht, en vervolgens op hun eigen domheid direct te geloven dat de Majesteit een enkele reis Delft heeft gekocht.

Er zitten aan de rel rond dit filmpje vele leuke kanten, en er zijn aardige inzichten in de menselijke psyche uit te peuren. Dat het filmpje zelf niet bijzonder leuk was, was omdat ik er niet intrapte. Ik geloof eenvoudig niet dat zoiets via DWDD naar buiten komt, hoe snel ze ook zouden zijn op een bepaald moment. Indien het werkelijk gebeurd was, had je het gonzen van het gehele land bijna fysiek kunnen voelen, en dat ontbrak.

Luisteren/lezen
In de eerste plaats blijkt hieruit maar weer eens hoe slecht mensen lezen en luisteren naar wat werkelijk wordt gemeld. De eigen verwachtingen, ideeën, vooroordelen en hoop zijn veel belangrijker dan wat werkelijk wordt gemeld of gezegd. Dat geldt niet alleen voor een filmpje als dit, maar ik durf de stelling aan, dat 90% van de mensen 90% van de tijd aan dit euvel lijden. Ook, als men het dagelijks nieuws intensief volgt. Maar mijn schatting, ik geef het toe, kan te laag zijn.

Hoe geprangder het eigen gemoed, hoe sterker dit mechanisme zich manifesteert. De heftigheid van de reacties daarentegen is daarvan een veel minder significant gevolg. Karakter speelt daarin een minstens zo belangrijke rol.

Ontkennen
Een tweede punt van belang lijkt me, dat we er naar neigen meer geloof aan dingen te hechten als ze worden ontkend. "Ik geloof het pas als ze het gaan ontkennen." is een bekende uitspraak van journalisten over acties van politici. Dat heeft er onder andere toe geleid, dat regeringen zaken die niet extreem gevoelig liggen en beslist niet waar zijn, niet langer ontkennen, maar er simpelweg geen aandacht aan schenken.

Helaas is een bijverschijnsel van deze op zich niet onlogische aanpak, dat dingen die wèl waar zijn, en bovendien extreem gevoelig liggen, worden ontkend tot men het tijdstip rijp acht een officiële mededeling uit te laten gaan. Ook al is de tijd benodigd om die verklaring op te stellen en bij te schaven het enige dat hen van uitspraken weerhoudt. Zo versterkt het proces zichzelf.

Help, een wolf!
Dan is er nog het wolf!wolf!-principe. Het is een bekend sprookje, waarvan de moraal door veel goedbedoelende alarmisten niet begrepen wordt. In het kort:

Een jonge geitenhoeder wordt op een berg neergezet om geiten te hoeden. Zijn enige wapen is een houten staf. Men zegt hem, dat als er een wolf opduikt, hij alleen Wolf!Wolf! hoeft te roepen om assistentie vanuit het dorp te krijgen, zodat men de wolven kan verjagen.

Tweemaal roept de jongen Wolf!Wolf! tot chagrijn van zijn dorpsgenoten, om te testen of men inderdaad komt helpen. Bij de derde keer komt er niemand, en worden hij en zijn geiten verslonden door een troep hongerige wolven.


De moraal is eenvoudig: waarover men te vaak paniek zaait, wordt als het uiteindelijk plaatsvindt, weinig heisa meer gemaakt. Voortdurend in een staat van alarm verkeren stompt af.

Op de middelbare school hadden wij als zestienjarige scholieren na de dood van paus Paulus VI een soort running gag, om als stopwoord te zeggen: en de paus is ook dood. Dat begon net een beetje te verdwijnen, toen ik op een middag de kantine binnenkwam, en iemand mij vertelde dat de paus dood was. De nieuwe. Dat probeerde hij althans, want ik geloofde er geen woord van. Pas 's avonds thuis, bij het zien van het 8 uur-journaal, werd me duidelijk dat inderdaad ook de nieuwe paus zijn voorganger achterna was.

Jammer genoeg zijn bovenstaande overpeinzingen minder wijd verbreid dan je op basis van de naar men beweert steeds hogere opleiding van de gemiddelde Nederlander zou mogen verwachten. Wellicht dat dat komt, doordat we leven in een tijd van honger naar nieuwe feiten, nieuwe zaken, nieuwe paniek zelfs, om onze interesse gaande te houden. We leven in het tijdperk van het evenementisme. En daarmee samenhangend ook, in dat van de kalmerende middelen.

zondag 9 oktober 2011

Onder Columnisten



Juvenalis en Caroline raakten via de mail in gesprek over J.´s laatste stuk. Leuke lectuur voor een zondagmiddag.

Hi Caroline,

Je kunt het stuk lezen zoals je wilt, maar het was in de eerste plaats gericht op de verschillende werkelijkheden waarin culturen leven. Het is een stuk met meerdere lagen. En zonder het expliciet te noemen bepleit ik ook een geforceerde integratie-inspanning via het schoolsysteem, zoals Trias terecht opmerkte. Het is een noodzakelijk ding. Er is een kleinere range van acceptabele zelfzuchtigheid onder het mom van overheidsdienst nodig, daar richtte ik me op.

Overigens is er voor veel mensen die door met 'Spock' besmette ouders zijn opgevoed op dit punt een hoop werk te doen. Intelligente ouders wisten dat wel op te vangen, maar de schade in lagere milieus is onvoorstelbaar. Ik weet niet hoe intensief je daar zelf mee in aanraking bent geweest, maar de manier waarop de kunst van opvoeding in de lagere middenklassen is verwoest, is ontstellend. Niet voor niets dat opvoedprogramma's met nannies en dergelijke zo populair zijn op TV. Er is in veel families een trendbreuk geweest, en veel mensen zijn op dit punt volledig de weg kwijt. Curieus genoeg zijn juist de domste mensen, die zich niet hebben aangepast aan de nieuwste gewoonten op opvoedkundig gebied, er het best tegen bestand gebleken.

Tegelijkertijd was mijn startpunt in het stuk het ontmantelen van een hoofdletterbegrip, en ik wil er de komende maanden nog een groot aantal op een manier als deze gaan behandelen. Als een paar mensen hierdoor wat genuanceerder leren denken ben ik er al tevreden over.


XX, J.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hoi Juvenalis,

Ik vond je stuk mooi hoor, en verdraaid, ik ging aan het denken ook nog. En wel dat eerlijkheid misschien minder belangrijk is dan realisme.

In Amsterdam West heb ik altijd alleen maar goed opgevoede kinderen getroffen, althans, andere herinner ik me niet. Op mijn spreekuren in Amsterdam West maar ook een keer op de marinewerf in Den Helder merkte ik wel dat wat de arbeiders werden genoemd, en nu Henk en Ingrid, vaak meer beschaving en fatsoen hebben in hun pink dan nogal wat leidende figuren in hun hele lijf. Het is juist voor die mensen waar mijn hart wel eens voor huilt, omdat die én zo vreselijk in de steek gelaten zijn (genaaid) en omdat ze het werkelijk niet kunnen bevatten, dat dat gedaan is door mensen tegen wie ze geleerd hadden op te kijken. Die sociaal-experimenteerders vind ik dan ook tot in het beschimmelde merg van hun stinkende gebeente oneerlijk, en dat kan niet vaak genoeg gezegd worden.

XX, C.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hi Caroline,

Fatsoen!! Dat is het woord dat ik hier beter in had moeten passen, al had ik wel daarmee de onderlagen in het stuk een beetje weg geschoffeld. Kun je nagaan hoe ver het woord buiten mijn vocabulaire geraakt is. Fatsoen is zo ongeveer waar ik op doel met de term "cultureel gerelateerde eerlijkheid". Er is weinig dat er dichterbij komt.

Realisme heeft mijn persoonlijke voorkeur als het om regeren gaat, maar als dat kan worden gecombineerd met ouderwets fatsoen (maar dan niet van een CDA'er ;) ) , dan teken ik er voor.

Helaas komt een groot deel van de groep sociaal-experimenterders juist oorspronkelijk voort uit die groep fatsoenlijke mensen uit de arbeidersklasse. Die begrijpen zelf naar mijn idee in overgrote meerderheid niet wat ze hebben aangericht, maar zetten hun resultaten af tegen de inderdaad evenmin frisse situatie waarin hun ouders 60 jaar terug zaten, sociaal gezien. En daaraan ontlenen ze hun - zeer beperkte - gelijk. Ze hebben het ouderwetse fatsoen vernietigd zonder er iets voor in de plaats te stellen.

De laatste tijd lees ik soms wat oude stukjes van Carmiggelt, waarvan ik een plank heb overgehouden toen mijn ouders, uit wat nu nog mijn huis is, vertrokken. Wat je daar in terugvindt tekent een maatschappij die ten onder gegaan is, heel stilletjes uitgestorven eigenlijk.


XX, J.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hoi J.,

De PvdA werd niet voor niets de drs-en partij genoemd, dat valt best mee, en de laatste arbeider die ik er gezien heb was Hans Mohr, inmiddels dood en toen kamerlid. Aardige man, die geheel terecht aan me vroeg 'aan welke man al die feministes dan gelijk wilden zijn. Aan hem, die met 14 echt de haven in ging om te werken, of aan de havenbaronnen.' Ik vond dat een zeer wijze opmerking, en als ik al de neiging gehad had, had ik die van af dat moment niet meer: feministe worden.

Het probleem is natuurlijk dat wat je in de ene maatschappij op gevangenisstraf komt te staan, in de andere samenleving juist wordt toegejuicht. Zo kan ik me voorstellen dat als de imam me voorhoudt dat ik alleen deugdzaam kan zijn door de kafir uit te buiten en lastig te vallen, en verkrachting een goede manier is van jihad, dat ik anders in het leven sta dan we in Nederland gewoon of zelfs maar aanvaardbaar vinden. En zo komen we dan weer bij de multicul terecht, er zijn (en worden!) nog teveel mensen geïmporteerd die niet bij ons en onze cultuur passen. Onze regering heeft niet het Nederlandse fatsoen om daaraan een einde te maken, of dat zelfs maar met enigszins zinnige (ik kan in een paar uurtjes een wet schrijven die het wel houdt, en die wel werkt) pogingen daartoe doet. De uitverkoop van het laatste restje van ons en onze samenleving aan de EU en de opoffering van onze welvaart en toekomst aan een waandenkbeeld over munt (!!!) komt daar dan nog eens bij, of is misschien nog wel erger.

En als homogene (maar verzuilde, er waren smaken genoeg in Nederland) en intelligentere samenleving hadden we nu sterker gestaan tegenover de politiek en het bestuur, gewoon omdat we weten wat we aan elkaar hebben gemiddeld gesproken, iets wat nu niet meer het geval is. Want ook als we anders waren, dan waren we toch niet zo anders dat we elkaar niet begrepen. Nu ontbreekt de gedeelde grond onder de voeten te veel en te vaak. Gezien de intelligentie van de instroom zal dat wel zo blijven, want van mensen met een IQ van 80 gemiddeld of daaromtrent, is natuurlijk weinig te verwachten.

Ergens in de 70-er jaren was Nederland 'af' aan het raken, mensen waren mooi en slim (gemiddeld) en gelukkig, autootje voor de eigen deur, en met één inkomen kon je heel wel een gezin draaien. Niet dat we nu helemaal 'hobbits' waren, maar we kwamen er in de buurt. En dat mocht natuurlijk niet duren, en desnoods moesten de collectivisten dan maar ziekte, lelijkheid en gebrek importeren, om hun voortdurend bemoeien met het volk te rechtvaardigen. En ook de scholing van het volk moest minder, want te slim is voor machthebbers niet aantrekkelijk.

Vandaar dat men doende is en blijft, het in eeuwen geweven weefsels van onze samenleving kapot te maken op een manier waarop Stalin, Hitler en Mao jaloers geweest zouden zijn. Het kan allemaal wel kapot namelijk. En als al eerder geconstateerd: hoe meer er kapot is, hoe fijner dat voor de fascisten die de macht hebben is. En ja, ik gebruik het woord fascisten in het volledige bewustzijn van de betekenis ervan.

Fatsoen? Ik weet niet of je het zo moet noemen, ik zou het liever 'beschaving' noemen, beschaving naar Nederlandse normen, en niet alleen uiterlijke, maar vooral ook innerlijke. De beschaving die maakt dat als je op een bepaalde positie zit, je je vooreerst bewust bent van de verantwoordelijkheden die die met zich mee brengt, en dat niet jij zo bijzonder bent, maar de positie waarin je je bevindt. Ik denk dat de grote afbraak van dat soort fatsoen, die beschaving, met Balkenende een grote vlucht genomen heeft, de man die sneller ouwehoerde dan god kon luisteren. Als die laatste daar al zin in gehad mocht hebben, maar misschien brengt zijn positie het moeten wel met zich mee.


Terzijde: weet je wat me opvalt? Dat ik al weken geen waardetransporten meer hoor (gaat altijd met motor- en auto-escortes en veel sirenes en afzetten van de brug en zo gepaard) of zie van en naar de Nederlandse Bank hier. Vreemd, want het waren er altijd wel een paar per week.

Ik ben dan ook behoorlijk benieuwd naar de beantwoording van de vragen van de SP over onze goudvoorraad.



Caroline

vrijdag 7 oktober 2011

'Eerlijkheid’ en politieke besluitvorming



Eerlijkheid is een hoofdletterbegrip, dat een zeker altruïsme impliceert. Iemand die aangeeft een eerlijke uitspraak te gaan doen, bedoelt daar over het algemeen mee, dat hij iets gaat zeggen dat niet in zijn eigen voordeel is, maar desalniettemin onmogelijk met goed fatsoen ontkend kan worden. Het zou komisch zijn als dit niet zo’n interessant fenomeen was. Eerlijkheid betreft gewoonlijk iets dat tegen ons directe belang in dreigt (en lijkt) te gaan.

Daarmee is eerlijkheid een ruilmiddel voor betrouwbaarheid. Iemand die zich bereid toont, zaken te accepteren die niet in zijn directe belang zijn, bewijst daarmee de zaken op langere termijn te kunnen zien. Door zaken te accepteren die in het voordeel van een ander zijn, wordt daarmee tegelijkertijd een zeker commitment aangegaan met die persoon. En relaties dienen gebaseerd te zijn op ‘eerlijkheid’, dat weet iedereen. Bewezen eerlijkheid is in zekere zin de valuta binnen een relatie, van welke aard die relatie dan ook is. Ook zaken als inflatie,  devaluatie etcetera kunnen een belangrijke rol spelen.

In ieder geval, iedereen denkt te weten hoe belangrijk eerlijkheid is binnen een relatie. Zoals ik het hier presenteer maakt het de oplettende lezer al duidelijk dat het een heel wat klinischer bedoening is dan de pure goedheid en erkenning, waar het vaak voor wordt aangezien. Maar ook als het dat niet is, moet je er uit de aard der zaak al uit concluderen, dat er bijzonder weinig reden is Eerlijkheid met een hoofdletter te schrijven. Er bestaat niet zoiets als dè eerlijkheid. Als het toepasselijk is het begrip te gebruiken, speelt tegelijkertijd een belangenrelatie een rol.

Sociale intelligentie
Naarmate mensen meer sociale intelligentie bezitten, zijn ze zich dit meestal ook beter bewust. Mensen met een gebrekkiger sociale intelligentie plegen zich bij tijden te beroepen op de oneerlijkheid waarmee zaken zich ontwikkelen. Daarmee bedoelen ze inderdaad, dat het hen niet naar den vleze gaat. Het is hier dat een spraakverwarring optreedt met het begrip Rechtvaardigheid, dat zoals ik als bekend veronderstel, eveneens een projectie is, maar van een andere aard.

Naast Rechtvaardigheid, wordt eerlijkheid vaak verward met Objectiviteit. Speciaal culturele eerlijkheid/rechtvaardigheid/objectiviteit levert in dit verband Babylonische spraakverwarringen op.  Dit heeft er alles mee te maken dat wat cultureel gezien eerlijk is, ons in onze eerste jaren wordt bijgebracht door onze ouders. Dat is althans de bedoeling. De opvoedrevolutie, die sinds de invloed van Dr. Spock zich in Nederland deed voelen veel gezinnen heeft ontwricht, heeft het mishandelen van de eigen kinderen door ouders sterk teruggedrongen, maar het aantal gerechtvaardigde aanleidingen daarvoor explosief doen toenemen.

In plaats van een gevoel voor een bepaalde culturele eerlijkheid, hebben veel mensen van onder de 50 nu vooral een eerlijkheidsgevoel dat gebaseerd is op hun directe persoonlijke gewin. Dit maakt het hanteren van het begrip eerlijkheid vrijwel onmogelijk, aangezien er bij beslissingen van hogerhand altijd iemand is die zich tekort gedaan voelt, en dat prompt vertaalt als ‘oneerlijk’.

Politici
Een directe weerslag is, dat politici proberen te vermijden groepen mensen ‘en bloc’ voor het hoofd te stoten. Dat dit denken op een bijzonder korte termijn is, kan iedereen zien die even doordenkt, maar moderne politici hebben denken op termijnen dan voorbij de eerstvolgende verkiezingen niet als eerste zorg. Het zit eenvoudig niet in hun programmering.

Deze preventitis-aanpak domineert sinds een jaar of 30 het openbaar bestuur, en de gevolgen zijn sinds 2001 in volle wasdom te bewonderen, al schijnt niemand te beseffen wat de oorzaak is. Dat veel politici in hun handel en wandel tijdens hun respectievelijke carrières zelf volop het slechte voorbeeld geven vergroot het probleem onevenredig, omdat daarmee wordt geïllustreerd waarom ze niet in staat te zijn er op overtuigende wijze iets aan te doen.

Een gevolg van het daardoor ontstane wantrouwen ten opzichte van politici is, dat het eerdere bestaan van nieuwe politici publiekelijk onder een vergrootglas wordt gelegd. Helpt dat? Natuurlijk niet. Politiek is bij uitstek een vak waarin je mensen met levenservaring nodig hebt. Er zijn niet veel mensen met voldoende levenservaring die zonder schrammetjes het stadium van politieke rijpheid bereiken. Het enige effect is het vergroten van het legioen besluiteloze grijze muizen. Die elkaar vervolgens ook nog eens met grijze-muizen-normen de maat gaan nemen.

Opvoeding
Cultureel gerelateerde eerlijkheid (zoals door mensen ervaren) is gebaseerd op een geslaagde conditionering met normen en waarden tijdens de opvoeding. Daaropvolgend is het noodzakelijk, dat de maatschappelijke leiding de fakkel overneemt door het goede voorbeeld te geven.

Om effectief te zijn, dient er een zekere consensus te zijn aangaande wat als maatschappelijk eerlijk wordt beschouwd. Als je nu in Nederland om je heen kijkt, is die consensus ver te zoeken. Dat heeft veel te maken met de vrijheid/blijheid, c.q. die in de opvoeding van kinderen wordt beleden, maar eveneens met de verschillende uitgangspunten die bij de opvoeding van de kinderen wordt gehanteerd.

Een normen en waarden-offensief – hoe sympathiek ook - zoals premier Balkenende indertijd begon was volstrekt kansloos, omdat het de basis van het probleem niet aanpakte: het ontbreken van een doordachte manier waarop kinderen op school gevormd worden in een uniforme culturele omgang met elkaar. “Lief zijn voor elkaar” is daarin een goed bedoeld, maar contraproductief uitgangspunt.

Conclusie
Mensen die hopen dat de huidige politieke chaos van korte duur zal zijn doen aan wishful thinking. Daar zijn meer argumenten voor, maar zoals ik in dit stuk betoogde aangaande de mentale gesteldheid van de gemiddelde Nederlander, er is een min of meer uniform gevoelde eerlijkheid noodzakelijk alvorens we ergens zullen komen.

vrijdag 16 september 2011

De Missing Link



Door onderzoekers naar de oorsprong van de mens wordt veel gesproken over de Missing Link, de legendarische overgangssoort tussen mens en aap, van welke wij allemaal zouden moeten afstammen. Men is ondertussen teruggekomen tot een tijdstip 3 a 4 miljoen jaar geleden, en dat we verder terug moeten lijkt vast te staan.

Of we die overgangsfiguur ooit zullen vinden? Men gaat er daarbij stilzwijgend van uit, dat de overgang middels langzame evolutie heeft plaatsgehad, zonder plotselinge mutaties van dominante eigenschappen. De reden? Van een plotselinge overgang als zo’n snelle mutatie is bijzonder weinig kans er iets van terug te vinden. Het enige dat je bij zo’n snelle mutatie terug zou kunnen vinden, zijn een korte periode met babylijkjes van mutaties die niet geschikt bleken voor overleving. Aangezien de natuur babylijkjes onder normale omstandigheden al na een paar jaar tot onherkenbare compost verwerkt, is de kans hierop vrijwel nul. Een plotselinge overgang naar de ‘moderne’ mens is dus niet attesteerbaar.

De maatschappelijke missing link, bijvoorbeeld, is evenmin aanwijsbaar. Ze moeten er in redelijke aantallen geweest zijn, de afgelopen 50 jaar. Een aantal loopt nog steeds rond, en de kans dat u als u dit leest er zelf een bent, ligt vrij hoog.

Opvoeding & onderwijs
Ik bedoel dit: de opvoeding en opleiding van onze laatste drie generaties in de westerse maatschappij laten een stevige trendbreuk zien met voorgaande generaties. Dat gaat verder dan alleen een mentaliteitsomslag. Die is belangrijk, maar de kenmerken er van zijn veel belangrijker dan de omslag op zich.

Een belangrijk gevolg van die mentaliteitsomslag is de wijze waarop de opleiding van onze kinderen op scholen ter hand genomen wordt. Tot circa het 14e levensjaar krijgen onze nakomelingen tegenwoordig een zo breed mogelijke opleiding op hoog niveau, om zeker te stellen dat ze na deze leeftijd in staat zijn om bij het vereiste niveau op de door hen uiteindelijk gekozen studierichting te kunnen aanhaken. Tijdens die brede opleiding op middelbaar niveau worden kinderen volgepompt met kennis en vaardigheden die ze op het topniveau later nodig zouden kunnen hebben.

De vervolgstudies gaan diep, en maken deze kinderen tot hoogst gespecialiseerde academici als zij hun universitaire opleiding voltooien. Niet alleen hebben zij kennis van waar de grenzen van de contemporaine wetenschap liggen; van iedere generatie wordt ook verwacht dat zij die grenzen nog iets helpen opschuiven.

Door die opschuivende grenzen is het onvermijdelijk dat de stappen daar naar toe steeds groter worden. Op dit moment is de afstand zó groot geworden, dat voor veel kinderen de logica tussen de verschillende stappen verloren gaat. Een bijkomend probleem is, dat doordat de docenten in voorgaande generaties dit probleem ook al hebben ervaren, zodat ze minder aandacht schonken aan een logische opbouw van de lesstof, dan aan het halen van hun targets aan het einde van het schooljaar.

Beroepsdeformaties
Eenzelfde probleem doet zich voor bij mensen die na hun opleiding functies aanvaarden waarin het belangrijk is te begrijpen waarom de zaken die zij gaan beheren zijn georganiseerd zoals zij ze aantreffen. Dit geldt vooral, maar niet uitsluitend, voor mensen die in dienst treden van overheidsorganisaties. Van hen wordt een prompte bijdrage aan de verdergaande professionalisering van hun organisatie verwacht, in plaats van te worden ingewerkt in historie en logica van het door hen gekozen beroep.

Een extra tegenstrijdigheid is daarbij, dat de nieuwe werknemers nog maar zelden uit overtuiging kiezen voor een dergelijk beroep. Eerder beschouwen zij dit als een eerste stap in een lange carrière, die hen langs een keur van management-georiënteerde functies moet leiden tot een felbegeerde topfunctie in onverschillig welk overheidsgremium.

Wat hierdoor verloren is gegaan, is de logische opbouw van veel regels en maatregelen, die op zich allemaal inderdaad efficiënter kunnen worden geregeld en toegepast, maar daardoor helaas hun onderlinge verbanden gaan verliezen.

Een tweede verlies dat hiermee samenhangt, is dat niet langer de intentie van regels belangrijk is, maar een efficiënte toepassing van de letter van vigerend beleid.

Dit laatste probleem ontstaat mede, doordat de gezochte promotiemogelijkheden primair ontstaan via drie mogelijke criteria: a) het invoeren en implementeren van nieuw en succesvol beleid, b) een kwantificeerbaar resultaat als gevolg van een letterlijke uitvoering van een bepaald voorschrift, en c) een verdere aanscherping van bestaande regels en normen ten einde een verdere verbetering van de algemene omstandigheden die de bewuste regel beoogde te bewerkstelligen.

Hoe goed bedoeld ook, alle drie deze factoren werken contraproductief bij het tot stand brengen van een geïntegreerd overheidsbeleid. Door de onmatige fixatie op het type beleid dat door de aandacht vanuit de publieke opinie de beste promotiekansen biedt, ontstaan beleidsmatige excessen die geen objectieve basis hebben in de mogelijke resultaten, en de omvang van de middelen die worden ingezet. Aangezien ook de publieke opinie, vrijwel uitsluitend vertegenwoordigd door het journaille van de MSM, dat leeft van de aandacht voor zaken waarvan mensen denken dat hen die persoonlijk raken kunnen, hier een rol in speelt, is een proces ontstaan dat vrijwel onmogelijk te remmen valt.

Voorbeelden bestaan op vele gebieden. Ik geef er drie.

1) In het geschiedenisonderwijs werd een aantal jaren terug in het kader van de bewustwording van leerlingen voor belangrijke zaken als slavernij, vrouwengeschiedenis, en kolonialisme (om er een paar te noemen) besloten dat aan deze onderwerpen extra aandacht diende te worden geschonken, zulks ten koste van een logische opbouw van het geschiedenisonderwijs.

Een gevolg was dat kinderen vaak redelijk op de hoogte waren van bepaalde feiten en gebeurtenissen, maar deze op geen enkele wijze in een logisch historisch verband konden inpassen, omdat hen een degelijk kader ontbrak. De slavernij in de Oudheid en de slavernij in de USA in de 19e eeuw worden door veel kinderen als in elkaars verlengde liggend beschouwd. En zo verder.

2) De fixatie op risico’s voor alle deelnemers aan het verkeer leidde tot extreme aandacht (en subsidies) voor allerhande zaken als verkeersrotondes en snelheidsbeperkingen op snelwegen, die op de keper beschouwd vrijwel niets bijdroegen aan de algemene verkeersveiligheid, maar door hun kwantificeerbaarheid en herkenbaarheid in het openbare domein voor het publiek herkenbaar waren als beleid in uitvoering.

3) Een ander gevolg van een fixatie op het beperken van risico’s zie je terug in de wijze waarop men probeert de risico’s van vers bereid voedsel te minimaliseren. Met als onbedoeld gevolg, dat vers en volledig door een restaurant zelf bereid voedsel vrijwel alleen nog verkrijgbaar is in restaurants die staan vermeld in de Michelin-gids, of de aspiratie hebben daarin voor te komen.

Dit is een tendens die in geheel West-Europa waarneembaar is, en onterecht wordt geweten aan de prijs van vers ten opzichte van convenience food dat bij groothandels ruim voorradig is. En bacteriologisch vrijwel dood. En daardoor smakeloos. De prijs van vers is inderdaad astronomisch, maar de oorzaak daarvan ligt aan de extreme voorzorgen die een restaurant moet treffen om vers voedsel zelfs te mógen bereiden. De arbeidskosten van allerlei voorzieningen maken het voor ondernemers vrijwel onbetaalbaar. De werkelijke verbetering is echter miniem.

Conclusie
Wat ontbreekt, is overzicht op grote verbanden, en de ruggengraat om de beoordeling van die verbanden en de conclusies die men daar aan verbindt te verdedigen. De overheid trekt zich van dit soort zaken veel te veel aan van mensen die met slechts een zeer beperkte kennis van zaken via pressiegroepen hun onrust uiten. Die onrust ontstaat door berichten in de media, die vaak zijn ingestoken door ambtenaren, die belang hebben bij de aandacht voor hun specifieke gebied van het algemeen beleid. Waarmee de cirkel rond is.

Ik geef hier drie voorbeelden, maar zou er uit de losse pols een stuk of vijftien kunnen beschrijven. En dit Missing Link-concept is op veel meer terreinen toepasbaar, waar de afgelopen 50 jaar een trendbreuk heeft plaatsgevonden. Wie goed om zich heen kijkt, ziet er dagelijks voorbeelden van.

Ik ben van mening dat, doordat we in ons onderwijs aan toekomstige generaties nalaten de onderlinge samenhang van veel zaken te tonen, maar vooral aandacht besteden aan een onbeperkte verbetering van zaken die op zich prima functioneren, we een maatschappij hebben gecreëerd die steeds hysterischer word. Dat we hierdoor tevens ontwend zijn te accepteren dat iemand iets in een groter verband plaatst, waardoor een specifiek aandachtspunt minder prominent op de agenda staat en zal blijven staan, is een ongelukkige extra handicap.

dinsdag 13 september 2011

Vrijheid (bestaat niet/is een illusie/is gebondenheid) & de multiculti



Vrijheid bestaat niet. Het spijt me u dat zo plompverloren voor de voeten te moeten gooien, maar het is iets dat u onder ogen moet zien. Het begrip heeft een rechtmatige plaats in een illuster rijtje: Rechtvaardigheid, De Waarheid en Vrijheid impliceren allen, dat er één en ook maar één unieke staat is van elk, die de ultieme en opperste staat vertegenwoordigt. Helaas is dat niet waar.

Van zowel Rechtvaardigheid als De Waarheid heeft u dat wellicht al eens eerder onder ogen gezien. Maar van Vrijheid? Velen spreken er over, het is een ideaalbeeld voor vrijwel iedereen die zich bezig houdt met politiek. En we hebben bovendien de neiging er ons op te beroepen, als we in het nauw komen. Dus is het bijzonder jammer dat het echt niet bestaat, en niet meer is dan een filosofisch begrip.

Het probleem met Vrijheid is, dat het een begrip is dat afhankelijk is van de context. Dat is problematischer dan het klinkt, omdat de logische eerste reactie is, dat je losmaken van een bepaalde context bevrijdend zou moeten werken. Echter, bevrijding van de ene context kan alleen door je te verbinden aan een volgende context. Volkomen vrijheid in de zin van ongebondenheid aan restrictieve omstandigheden kan daardoor eigenlijk niet bestaan, en moet worden gedefinieerd als een filosofische onmogelijkheid.

Maatschappelijk is de definitie van toegestane Vrijheid over het algemeen, dat u elke vrijheid heeft, tot u die van een ander in de weg zit. Dat is min of meer de basis van het liberalisme, en van onze vrijen en open maatschappij. Niet zelden is het gevolg, dat uw vrijheid en die van uw buren elkaar in de weg komen te zitten. Botsingen zijn, juist door het persoonlijke karakter die Vrijheid in essentie heeft, onvermijdelijk.

Waar we het meestal over hebben als we spreken over Vrijheid, is een gevoel van Vrijheid. Hier wordt het interessant. Want het is zeker mogelijk je volkomen vrij te voelen. Wat hiervoor benodigd is, is het speelveld te verkleinen. Als we dat vertalen naar een maatschappelijke situatie ontstaat volkomen Vrijheid, als u een situatie bereikt waar de grenzen die u zichzelf vrijwillig oplegt, nooit worden overschreden door de buitenwereld.

Uit de aard der zaak is het onvermijdelijk dat de buitenwereld van tijd tot tijd inbreekt in uw universum, en wanneer dat te vaak gebeurt, ontstaat een gevoel van onvrijheid. Indien voldoende geprovoceerd, is de volgende reactie er een van al dan niet lijdelijk verzet tegen die buitenwereld, die u in uw Vrijheid belemmert.

Dat dit ambivalente situaties oplevert is ondubbelzinnig onvermijdelijk. De mooiste manier van een samenvatting die ik ken om het dilemma duidelijk te maken, stamt uit de vroegste periode van het Christendom. Tekst van een veel voorkomende votieftablet:
Ik ben een slaaf van Christos, en daardoor ben ik volkomen vrij

Hoe moeten we dit begrijpen? Binnen een vrij streng begrensd universum, kon de bekeerling zich overgeven aan zijn geloof, en kan niets hem weerhouden zijn geloof te praktiseren zoals hem dat het best voor komt. Door afstand te nemen van alle maatschappelijke regels die in tegenspraak waren met zijn overtuiging, werd de volkomen Vrijheid verworven. Alles daarbuiten negeerde hij of zij als niet-relevant, iets dat in de eerste evangelische fase werd opgevangen door de kerkelijke organisatie, en in het uiterste geval tot gerechtelijke stappen van de overheid leidde. De leeuwen aten daar inderdaad goed van, maar dat was niet meer dan een exces.

Welbeschouwd zijn ook culturen te vertalen als besloten gemeenschappen die een set gedeelde waarden huldigen. Daarom is de multiculturele samenleving als concept, een aanval op de cultuur van mensen die zich prettig voelen in hun eigen cultuur, en daaraan weinig of geen concessies wensen te doen. De ironie van de situatie van de multiculturele samenleving is, dat men die niet-bereidheid tot concessies doen in essentie wel accepteert van groepen immigranten die voldoende groot zijn om in hun nieuwe woonomgeving hun oorspronkelijke cultuur met succes in stand te (willen) houden, maar niet van de oorspronkelijke bevolking die pogingen in dezelfde richting onderneemt.

Uw Vrijheid wordt begrensd door die van anderen. Het impliciete maatschappelijke uitgangspunt daarvan is en blijft, dat de kernwaarden van de deelnemers aan een maatschappij voldoende dicht bij elkaar liggen, om tezamen een werkbare gemeenschap te vormen. Als dat niet zo blijkt te zijn, ontstaat er geen probleem, maar dan is er een probleem.

Wie zijn waarden niet wenst aan te passen aan die van anderen, zal moeten proberen de rechten van anderen in te perken, voor zo ver die fundamenteel strijdig zijn met de eigen normen. Ware Vrijheid is het recht je eigen grenzen en beperkingen vast te leggen. In het geval van extremistische moslims komt dat niet zelden neer op een afwijzen van democratie en open maatschappelijke systemen. Dat is consequent met de leer van de islam, en beslist verdedigbaar. Maar het is onverenigbaar met een maatschappij, zoals we die wensen in het Westen.

woensdag 7 september 2011

De Troonrede, de parlementariërs, en de Koningin



Met Prinsjesdag (dit jaar op 20 september) in aantocht is het jaarlijkse gekrakeel rondom het verstrekken van de rede aan politici en journalisten weer losgebarsten. Deze disproportionele aandacht voor de manier waarop de beleidsvoornemens aan Nederland moeten worden gepresenteerd wordt in de eerste plaats veroorzaakt doordat men dat liever doet dan voorspellingen van het kabinetsbeleid zelf. Men zou er eens naast kunnen zitten (pijnlijk), en voor de oppositioneel georiënteerde kranten geldt bovendien dat men de regering niet graag op een goed idee brengt, zéker niet in een tijd van bezuinigingen. En als het niet over de inhoud mag gaan, dan maar over de vorm.

Met die vorm is door alle aandacht er voor iets geks gebeurd. Sinds jaar en dag klagen regeringsgezinde politici na afloop van de plechtigheden, dat kranten en media zich niet hebben gehouden aan de erecode er niets uit te publiceren alvorens de Koningin haar verhaal had voorgelezen. Dat is hùn manier, om de aandacht van de inhoud af te leiden, want zelden maakt de miljardennota mensen gelukkig. Al is ie daar dan ook niet voor bedoeld, in ieder geval niet op korte termijn.

Helaas is de discussie over de vorm waarin het kabinet het parlement ter wille wil zijn langzamerhand een speelbal van emoties geworden, waaraan men denkt tegemoet te moeten komen. Voor een buitenstaander heeft dat iets potsierlijks. Om de zoveel jaar worden de regels veranderd, ook de nieuwe regels worden op ouderwetse wijze met voeten getreden, en na een paar mislukte pogingen bedenkt men weer iets nieuws. En zo voort, en zo voort. De nieuwste aanpak, die het verfrissende kabinet-Rutte als onderdeel van haar paleisrevolutie presenteerde, is dat alle politici het krijgen op de vrijdag (de 16e september, dus) vóór De Dag.

Technisch gezien mag men daar niet over praten, zo is de nieuwe regel, maar lezen mag. En omdat er ook geen formeel embargo meer is, mag de pers over de schouder meelezen, mits men maar niemand citeert. Dat ging niet goed. Natuurlijk niet, ben je geneigd te zeggen. Gistermiddag zijn de fractievoorzitters met Kamervoorzitter Verbeet overeengekomen, dat er alsnog over de stukken gepraat, máár, niet gedebatteerd mag worden. Bij dat alles blijft gelden, dat men de Koningin niet wil schofferen door erover te debatteren alvorens De Majesteit haar praatje heeft opgelezen.

Kortom, de oppositie zal haar gang gaan, de regeringspartijen zullen schoorvoetend maandag de publicitaire arena betreden, en woensdag zal er nog weinig over gezegd worden, behalve over zaken die men zich eerst niet zo gerealiseerd had. Eigenlijk is dat voor De Majesteit een plusje, want daardoor kan de pers haar onverdeelde aandacht schenken aan de manier waarop Hare Majesteit de woorden van premier Rutte en zijn kabinet voordroeg. Respect voor de kleinkunstenaar, zogezegd.

Grappig is natuurlijk de manier waarop de oppositie zich het recht toe eigent hierover geïnformeerd te worden. Want is er aanleiding te veronderstellen dat het een recht zou zijn? Nee. Is er een informatie-ongelijkheid tussen de leden van het parlement? Jazeker, en doordat het kabinet een parlementaire gedoogconstructie heeft is dat zelfs geïnstitutionaliseerd. Maar die situatie verandert niet door twee dagen eerder te kunnen lezen wat de regeringspartijen in de zomer onderling bekokstoofd hebben.

De oppositie heeft niet zozeer redenen om die inzage vooraf te eisen, eerder heeft zij argumenten om te zeggen dat het zomerse overleg tussen parlementsfracties en regering constitutioneel gezien ongezond is. De regering regeert, het parlement controleert, zo is het adagium. Daar staat dan tegenover, dat de praktijk weerbarstig is, de Kamer boven op iedere beweging van ministers zit, en het geen enkel doel dient als de regeringsfracties na het voorlezen van de beleidsvoornemens van het kabinet de hele boel nog eens vrolijk omploegen, zulks onder machteloos geworstel en geïntrigeer van de oppositie. Dat de regerings(ondersteunende)fracties van de inhoud van de troonrede tot in detail op de hoogte zijn is daarom onvermijdelijk.

De enige reden om de oppositie de stukken eerder dan voorleesdag ter hand te stellen is dus om haar geen al te modderig figuur te laten slaan als de media direct na de voordracht door Hare Majesteit van de oppositie willen weten wat de eerste gedachten over de voorgestelde maatregelen zijn. Dat die reacties ondertussen ook vrijwel volledig ritueel geworden zijn doet daarbij eigenlijk niet ter zake. De oppositie vindt het een schande, of heeft grote bedenkingen, volledig afhankelijk van hoe ná de partij in kwestie het kabinet qua politieke kleur staat. De inhoud is eigenlijk secundair.

Ook is voor politici niet onbelangrijk natuurlijk, dat de kans dat men op een dag zelf tot de oppositie zal behoren levensgroot aanwezig is. En ook dat is een reden voor de regering de oppositie in zekere zin ter wille te zijn.

Met respect voor het staatshoofd heeft dat alles niets te maken. De halfhartige pogingen van Balkenende een paar jaar terug dit argument als hefboom en dreigement te gebruiken om de parlementariërs enigszins in te tomen zijn mislukt, en de wijze waarop Rutte c.s. de Troonrede nu verspreiden erkent dit. Het enige alternatief is daadwerkelijk de verspreiding van de tekst van de Troonrede uit te stellen tot nadat zij is uitgesproken. Natuurlijk wordt het een aangenaam spektakel om Pechtold daarover boos gillend in actualiteitenprogramma's te zien paraderen, maar het sop is de kool niet waard.

De aanpak van Rutte lijkt me dus verstandig. Alleen, het zou de regeringspartijen sieren als zij de MSM niet zouden bedienen door er ook op te reageren. Daarmee zouden de oppositiecommentaren verworden tot een slag in de lucht. Echter, dat zal wel weer teveel gevraagd zijn.

zondag 4 september 2011

NRC, Kamervragen, Soeterbroek



De Kamervragen die Martin Bosma eerder deze week namens de PVV stelde over het 9%-eigendom van SP-sympathisant Derk Sauer gaven me een ietwat ongemakkelijk gevoel. Het was heel wel mogelijk dat Bosma's eerste invalshoek was de aandacht te vestigen op de manier waarop opinies in de MSM tot stand komen, maar daarvoor zijn Kamervragen eigenlijk niet bedoeld, al zijn ze een machtig wapen. Altijd zijn ze goed voor een stukje in de krant, of om een discussie aan te zwengelen, en dat is dan ook waarvoor kamerleden ze bij uitstek gebruiken. Dat de minister in kwestie daar dan ook nog wel eens op in gaat en met een antwoord komt waarmee wat kan worden gedaan is een bonus, maar eigenlijk niet veel meer.

De beschuldiging van kinnesinne, en van wraak gevoelens kwamen dan ook al snel ter tafel. Immers, Martin Bosma had tot juni van dit jaar samen met Jolande sap (GL) en Ton Elias(VVD) een politieke wisselcolumn in NRC. Voor iedereen die die columns wel eens las, was het duidelijk dat Bosma de kachel aanmaakte met zijn collega-columnisten. Elias bleek klem te komen te zitten tussen zijn functie als lansknecht van het kabinet in de Tweede Kamer, en zijn gebrek aan lichtvoetigheid. Sap bleek dit laatste te combineren met een ontoereikende schrijfvaardigheid, en het onvermogen zich los te maken van het verdedigen van haar partijlijn. Het politieke karakter, en de vrijbrief die dit opleverde, werd nog pregnanter duidelijk, omdat Sap in januari deze column overnam van haar opgestapte voorgangster Femke Halsema. Dat NRC haar die plek vrijwel automatisch gaf, bevestigde het gevoel dat van het begin af aan deze wisselcolumn kleefde.

De vragen van Bosma zijn op zich te lezen als aanval op de politieke kleur van het NRC:

1.) Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Uitgever van NRC Handelsblad boekt verlies in eerste jaar’(*)

2.) Was u ervan op de hoogte dat SP-financier Derk Sauer maar liefst 9 procent van NRC Handelsblad in bezit blijkt te hebben?

3.) Acht u de kans aanwezig dat NRC Handelsblad nog verder links georiënteerd raakt, bijvoorbeeld doordat NRC-journalisten in het gevlei willen komen bij hun radicaal-linkse eigenaar?

4.) Deelt u de mening dat U als minister dient toe te zien op een scheiding tussen eigendom en redactie bij dagbladen?

5.) Deelt u een gevoel van verlies dat het eens zo trotse conservatief-liberale avondblad is verworden tot een politiek-correct blad dat een lofzang brengt op de multiculturele samenleving, het EU-nationalisme, de ‘arabische lente’, de strijd tegen Israël, de kunstsubsidies en dat, behoudens een enkele uitzondering, alleen maar extreem-linkse columnisten heeft?


Sinds lange tijd heeft men in Nederland middels redactieraden gepoogd te voorkomen dat een eigenaar al te veel invloed kon uitoefenen op de politieke richting van een krant. Die 9% van Sauer lijken niet al te indrukwekkend, maar wie bedenkt dat hij ook het recht verwierf de hoofdredacteur te mogen aanstellen, ziet toch een iets ander beeld.

Anderzijds, is dat hoe het werkt? Vergeet het maar. De klankkleur van een krant ligt niet helemaal vast. Redactieraden zijn afhankelijk van de mensen die ze bevolken, en die mensen zijn aan verandering van mening onderhevig. Waar het NRC sinds vele jaren een mars naar links ondernam, is bij De Volkskrant in diezelfde periode een tegengestelde beweging waarneembaar. Dit icoon van extremistische waanzin van de jaren tachtig heeft zich de afgelopen 15 jaar omgevormd tot een open krant waar een veelheid aan opinies te lezen is, vorm gegeven door een keur aan onafhankelijk denkende journalisten. De Volkskrant is met afstand het meest onafhankelijke blad uit de MSM. Van dit moment.

Van dit moment, want het laat tevens zien dat de politieke kleur van een dagblad niet automatisch vast ligt. Het blijft een momentopname. Als oud-journalist kan ik met niet goed voorstellen dat Bosma dit niet weet.

De PVV heeft in haar benadering van de media, en de MSM in het bijzonder, altijd een consequente politiek gevoerd. Naar de mening van deze partij mogen media doen wat ze willen, mits ze de financiering daarvoor zelf rond krijgen. Dat werd eerder deze week nog eens benadrukt door de reactie van Geert Wilders op een cartoon van Joop.nl-icoon Soeterbroek, die eerder deze week werd gepubliceerd. Wilders was er niet bepaald blij mee, maar twitterde slechts:

'Waar Nederlanders voor moeten betalen: gesubsidieerd aanzetten tot geweld. De VARA. Hoe lang nog?'


Rechtszaken, verbieden, aanklachten, het zijn allemaal zaken die de vrijheid van meningsuiting geen goed doen, en dat de PVV dat beseft mag ondertussen als gegeven worden beschouwd. Het is ook niet nodig; VARA-coryfeeën zullen zich er in toenemende mate van afwenden, en de kuddegeest doet de rest. Geert Wilders geeft het goede voorbeeld. Is hier sprake van een schisma tussen Wilders en Bosma? Een tweesporenbeleid? Zegt Bosma wat Wilders zich publicitair niet kan veroorloven?

Terug naar de vragen van Bosma. Als je mensen de vraag stelt, of iemand een krant zou mogen kopen om zijn opinie op de lezers los te laten, zul je tegenstrijdige reacties krijgen. Het eigendomsrecht is in de perceptie van veel mensen in een geval als dat niet 100% van toepassing. Anderzijds is er niemand die de vraag negatief beantwoordt, of iemand die een nieuwe krant opricht en financiert, het recht heeft invloed uit te oefenen op de opinies die via die krant aan de man worden gebracht. Hier wringt iets.

Als we de vragen door Bosma nog eens onder de loep nemen, vallen vooral de eerste twee op. Van het noemen van het artikel kun je nog zeggen dat je dat terug kunt voeren als bronvermelding, maar gecombineerd met de tweede doemt een het beeld van een preëmptieve actie op. Financieel gaat het al jarenlang slecht met het NRC; de krant maakt verlies, en niet zo'n beetje.

Bosma effent met zijn vragen het speelveld om een steunaanvraag van het NRC bij het Fonds voor de Media te kunnen torpederen. Ik geloof niet, dat hij de krant zou willen muilkorven. Maar hij maakt zich wel degelijk op, om te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de steunoperaties uit de jaren 70 en 80, toen allerlei media met grote hoeveelheden overheidsgeld overeind werden gehouden. Het NRC uitsluiten van steun uit het Fonds voor de Media zou de eigenaren van het NRC kunnen dwingen een meer op de algemene consensus gevormde krant te verkopen. Dat hoeft natuurlijk niet, maar dan zullen ze de kosten daarvan geheel zelf moeten dragen.

zondag 14 augustus 2011

Privacy-notitie naar aanleiding van de rellen in de UK



Meest opvallend bij de rellen in Londen en de rest van de UK, was de manier waarop de overheid reageerde.

In eerste instantie hield de centrale overheid zich veel te lang afzijdig. Maar toen zij zich er eenmaal mee bemoeien ging, ging men er ook gelijk hard tegenaan. Premier Cameron sprak over de mogelijkheid het leger in te zetten tegen plunderaars in wijken waar de politie er niet in zou slagen de overhand te krijgen.

Toen de politie eenmaal weer greep op de zaak leek te krijgen, kwam een volgende stap die nogal schokkend was. Cameron zei letterlijk, dat Human Rights wat betreft privacy-wetgeving en dergelijke hem niet konden schelen, en dat elk van de plunderaars die ergens herkenbaar in beeld kwam ook op internet zou worden gezet tot dat arrestatie en identificatie waren voltooid. Ook de herkomst van de beelden zou niet al te zwaar worden nagetrokken.

Op zich, een prima zaak. Wat het gemakkelijker maakte is dat de UK geen grondwet kent, zoals de meeste West-Europese staten. Desalniettemin, het gemak waarmee dit werd aangekondigd, zelfs voor er in het parlement over gesproken was, doet ietwat ongemakkelijk aan.

Het maakt duidelijk dat er een discussie moet komen, in welke gevallen privacy moet prevaleren boven staatsbelangen, en in welke gevallen het algemeen belang zodanig wordt bedreigd dat de rechten van het individu er voor moeten wijken.

In gevallen van gewelddadigheden als die van afgelopen week, zijn er maar weinig mensen die vinden dat de privacywetgeving belangrijker zou moeten zijn dan de kans op bestraffing, en mijns inziens terecht. Wie denkt onder te kunnen duiken in een massa om zich onbekommerd te kunnen uitleven ten koste van rustig levende mensen, moet snel uit de droom worden geholpen.

Evenzeer vind ik in dat verband, dat privacywetgeving in sterk verminderde mate zou moeten gelden voor daders van roofovervallen en dergelijke geweldsdelicten. Een rel zoals twee weken terug ontstond, omdat het Nederlandse College Bescherming Persoonsgegevens aankondigde kleine winkeliers, die proberen via internet te achterhalen wie hen kort daarvoor hebben beroofd, te gaan beboeten met werkelijk draconische bedragen, staat in schril contrast met de werkelijkheid van Londen vorige week.

De Wetgeving op dit terrein behoeft daarom aanpassing. Eerder nog dan het klakkeloos beschermen van het principe van het recht op privacy, dient eigenlijk de vraag te worden gesteld tegen wie de privacy van mensen het meest dient te worden beschermd. Eigenlijk zijn daartoe drie groepen te onderscheiden:

1) Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke
2) De overheid
3) Het grootschalige bedrijfsleven

Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke spreken eigenlijk voor zich, maar moeten vooral bestreden worden in de sfeer en op het niveau van de wijkagent. Normaal gesproken moet dat voldoende zijn, en uitgebreide bevoegdheden zijn hiertoe eigenlijk niet noodzakelijk. Een volgend niveau, de rechter, biedt verder voldoende bescherming. Een algemeen verbod in andermans zaken te neuzen lijkt me over het algemeen voldoende.

De overheid is van een ander niveau, en heeft ook veel meer mogelijkheden zich te diep en te uitgebreid van informatie over haar burgers te voorzien. Niet zelden gebeurt dat nu al, en het is heel lastig je daar tegen te verweren. Dat de overheid aan strenge privacy-wetgeving wordt onderworpen lijkt me daarom logisch, niet in het minst, omdat zij het moeilijkst aan te pakken is indien er problemen ontstaan. Instanties die het moeilijkst te controleren zijn, moet je de scherpste regels opleggen.

Het grootschalige bedrijfsleven is van de drie bovengenoemde de groep waar het meest moeizaam een vinger achter te krijgen is. Tegelijkertijd is het de groep die de privacy van de burger het meest bedreigt. Bedrijven hebben zeer veel belang bij kennis van hun potentiële klanten, en doen er dan ook alles aan om dergelijke gegevens te bemachtigen.

Wie bij AH gaat winkelen, en gebruik wil maken van de kortingen waarmee het bedrijf zo uitbundig adverteert, zal zich eerst een 'kortingskaart' dienen aan te schaffen - anders geen korting. Dat men het bedrijf middels die kaart onbeperkt toestemming geeft alle met de kaart gedane activiteiten te monitoren, waarmee ook verbonden is de woonsituatie en alles wat daar aan vast zit, beseft niet iedereen. Het is niet mogelijk de kaart te verkrijgen zonder deze toestemming te verlenen. Maar dit is geheel legaal, en veel bedrijven hebben zich langs juridische weg sinds lang verzekerd van de onaantastbaarheid van hun aanpak om de privacy van veel mensen langdurig en consequent te schenden.

Ik ben zelf niet zo'n voorstander van een al te grote sociale controle, maar toch kan ik er niet onderuit dat die bij veel mensen een nuttige functie heeft. Mits met mate mogelijk.

Ook vind ik het lastig om een precieze scheiding tussen grootschalige en minder grootschalige bedrijven te definiëren. Vooral de schaal van werken lijkt me bepalend voor wat acceptabel is. Mijn instinct zegt me dat bedrijven of bedrijfsafdelingen die zich specifiek met deze informatieverzameling bezighouden onder privacywetgeving dienen te vallen, maar in hoeverre dat zou moeten worden uitgebreid vraag ik me sterk af.

Dat de politie in de UK op dit moment overuren maakt om de relschoppers te identificeren en te arresteren voelt voor mij niet als een probleem. Dat heeft echter ook te maken met het onloochenbaar vandalistische karakter van deze rellen. Bij rellen bij uit de hand gelopen politieke demonstraties begint een grijs gebied. Niet, dat relschoppers in die situatie meer rechten zouden hebben. Wèl, dat met de beelden van bewaking en ordediensten zorgvuldiger moet worden omgegaan. Niet zelden blijken beelden van vreedzaam verlopen demonstraties nog jaren in archieven te liggen. Dat gaat veel te ver.

De afwikkeling van de rellen in de UK maakt deze discussie actueel, nu de theorie van de Nederlandse regeling tot nog toe in botsing lijkt te komen met de praktijk van de grootstedelijke maatschappij op Europees niveau. Dat het Nederlandse CPB met een ongelukkig uitgangspunt de zaken probeert te regelen, maakt een debat hierover des te dringender.

vrijdag 29 juli 2011

Orde & Chaos



Weet u wat een optimist kenmerkt? De hoop op het best denkbare. In schril contrast daarmee gaat de pessimist uit van het minimale resultaat. Welke van beide benaderingen een mens het gelukkigst maakt blijft een open vraag. Vast staat echter, dat de houding van de optimist een ingebakken garantie op teleurstellingen bevat, terwijl een pessimist niet zelden blij verrast zal zijn.

Een dergelijke Yin/Yang-verwevenheid geldt ook voor de begrippen Orde en Chaos (ook wel: Energie & Entropie). Naarmate zaken meer en gedetailleerder georganiseerd worden, neemt de interne chaos toe. Juist chaotische toestanden met weinig regels daarentegen zijn een wonder van helderheid voor de deelnemers aan die toestanden. Weinig regels zorgen voor extreme helderheid van wat is toegestaan, en waar sancties op staan.

Als we bovenstaande gedachten toepassen op de manier waarop de rechtsstaat is georganiseerd, zal u duidelijk worden waar de schoen van veel regelingen in de dagelijkse praktijk wringt. Naarmate regelingen specifieker en gedetailleerder zijn, wordt de kans op conflicten met andere gedetailleerde regelingen groter.

Nu is de essentie van specifieke regelingen, dat de overheid probeert greep te krijgen op bepaalde processen, en door ingrijpen sturend wil optreden. Dit is een algemene waarheid, die reeds lang voordat het begrip 'maakbare samenleving' werd geïntroduceerd geldig was. Dat dit in veel gevallen onverwachte gevolgen heeft op andere terreinen, is kenmerkend voor de manier waarop dit proces op hoger niveau effect heeft.

Vaak worden in een democratie als de onze de plaats van de uiteindelijke piketpaaltjes vastgelegd door gerechtelijke uitspraken, die moeten afbakenen waar de geldigheid van de oude regeling zal worden begrensd door nieuwe regelingen die zijn ingesteld om een matigend effect te bereiken. Dat dit voor kleinere zaken onvermijdelijk is lijkt me onontkoombaar, maar uit de aard van het hierboven geschetste zou het beter zijn als veel oude wetgeving, tegelijkertijd met de instelling van nieuwe modificaties, zou worden ingetrokken.

Zou. Want juist doordat er sinds de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 een lappendeken van wetten, regelingen en dies meer zij is ontstaan, is het intrekken van een wet geen sinecure. Het tornen aan die lappendeken bedreigt de structuur.

De Europese Unie is in dat verband een pronkstuk van ellende, omdat in haar regelgeving zij veelal voort bouwt op de resultaten van allerhande wetgeving van de lidstaten. De gevolgen van allerhande hoogstaande principes, die in de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in Straatsburg doorwerken, zijn een ander voorbeeld van een steeds onwerkbaarder worden van de regelgeving. Dat de gemiddelde Europeaan zich er niet mee verbonden voelt, en hoogstens geïrriteerd reageert op de verstoring van zijn leven van alledag, is een demonstratie van de chaos die een gevolg is van te gedetailleerde regelgeving.

Een ander voorbeeld van te gedetailleerde regelgeving zien we terug bij de onderzoeken na een ramp die veel aandacht krijgt. Plotsklaps blijken bedrijven, mensen of instanties zich jarenlang met een Jantje-van-Leiden te hebben afgemaakt van allerhande regelingen (die hen anders het werken onmogelijk hadden gemaakt), en wordt hen daarvoor de rekening gepresenteerd. De selectieve manier van werken die dit tot gevolg heeft (zowel bij overheid als gecontroleerden) demonstreert overtuigend, dat hoe goed ook bedoeld, veel regelingen door de rijkheid aan details en uitzonderingen het doel voorbij schieten. Uiteindelijk is er namelijk altijd iets te vinden waarop tegen de regels is gezondigd, zodat een bedrijf dat schade veroorzaakt zwaar kan worden aangepakt.

Als dit laatste de onvermijdelijke uitkomst is, kan het veel eenvoudiger worden opgelost, domweg door bedrijven aansprakelijk te maken voor de schade die ontstaat, waarbij het al dan niet schuldig zijn aan zondigen tegen specifieke regels als niet-relevant terzijde kan worden geschoven.

Resteert ons rechtvaardigheidsgevoel. We willen graag, dat alles zo netjes mogelijk wordt opgelost. En als dat niet kan, zal toch tenminste iemand schuldig moeten worden bevonden aan zaken die mis gegaan zijn. Wie bovenstaand betoog op zich in laat werken, moet gaandeweg gaan beseffen dat het niet mogelijk is dat rechtvaardigheidsgevoel zoals we dat thans koesteren altijd te bevredigen.

De neiging, alles in zo gedetailleerd mogelijke regels te vangen, is een vorm van onzekerheid waarvoor geen panacee bestaat. Wie dat beseft is al een grote stap verder. In een gezonde maatschappij heerst een evenwicht tussen orde en chaos, en op dit moment is het evenwicht gevaarlijk ver verschoven naar de geordende rigiditeit, die een recept voor chaos is.

dinsdag 26 juli 2011

Verloren onschuld



Het zal in het late voorjaar van 1990 zijn geweest, dat ik op een lezingenmiddag van de Amsterdam Summer University terecht kwam. Het onderwerp van de dag was homosexualiteit, en ik verdwaalde daar met een gezelschap via een schoonfamiliale connectie, waarvan iemand een der sprekers was.

De strekking van de lezing van mijn kennis ligt me niet meer bij, iets wat veel toehoorders ter plekke al overkwam, maar de lezing die een docente van de Summer University gaf des te meer. "Lesbian Ethics" was het onderwerp, een veelbelovende titel. Ik werd niet teleurgesteld.

Het onderwerp lag de docente duidelijk na aan het hart. Niet alleen had ze er over gepubliceerd; dat ze zich er ook persoonlijk bij betrokken voelde was onmiskenbaar. Teneur was dat lesbiennes anders met elkaar omgingen dan hetero's.

Daar moest ik wel enigszins om grinniken; twee weken daarvoor had ik in het studentencafé waar ik als portier werkte een gevecht tussen twee dames moeten beëindigen die vochten om een vriendin, die lichtelijk verveeld de uitslag van het gevecht afwachtte alvorens haar gunsten te verlenen. Deze dames deden het inderdaad heel anders dan wat ik van vechtende vrouwen gewend was. Vrouwen die onderling in fysiek gevecht verwikkeld raken vallen elkaar meestal aan met hun nagels, om niet zelden te eindigen in een patstelling, met hun handen stevig gewikkeld in elkaars haardos. Voor niet-betrokken toeschouwers kan dit hilarische taferelen opleveren, maar echt leuk is het niet. De lesbiennes uit mijn kroeg sloegen met de blote vuist op elkaar in, en de verliezer moest ik helpen met haar blauwe oog.

Bovenstaande anecdote ging natuurlijk in tegen de gedachte die de docente verkondigde, maar als je je in dat soort zaken aan casuïstiek schuldig gaat maken blijf je aan de gang. Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig wat haar onderzoek had opgeleverd. Dat viel niet mee, want het bleek niet zozeer om een kwantitatieve maar een kwalitatieve analyse te gaan. In het kort: een theorie gebaseerd op een gedachte, met vrij selectieve ondersteuning. Dat werd me te gortig, en ik besloot bij de gelegenheid tot vragen na afloop een duit in het zakje te doen.

Hoe doe je zoiets? Je stelt eerst twee domme geïnteresseerde vragen (enthousiast bevestigend beantwoord), om zeker te zijn dat het zo bedoeld was als het klonk, om af te sluiten met de derde vraag: "Dus, ... eh .., als ik het goed begrijp, zijn lesbiennes eigenlijk betere mensen?"

Dat was natuurlijk niet aardig, maar wel volstrekt dodelijk. Hoe pijnlijk de denkfout in de formulering van het basisprincipe was, was ook de zaal helder.

Aan bovenstaande moet ik vaak denken, als ik in de reacties onder een willekeurig stuk mensen met het argument zie komen, dat de 'linksen' toen en toen zich toch zo vreselijk misdragen hebben, in een poging hun eigen gelijk te versterken door anderen moreel onderuit te schoffelen. Zelf maak ik de kracht van mijn argumenten niet graag afhankelijk van het morele handelen van anderen, want het is eerder een zwaktebod dan een versterking van wat je betogen wilt. Bovendien maak je je ontzettend kwetsbaar, want als iemand uit 'eigen' kring zwaar over de schreef gaat, haalt dat je eigen argumenten met terugwerkende kracht onderuit.

De mensen die zich van dit type argumenten bedienden zullen we de komende tijd niet meer horen. Ze hebben vorige week hun onschuld verloren. De moordpartij in Noorwegen heeft voor langere tijd een einde gemaakt aan de basis van morele zelfingenomenheid waarmee dit soort argumenten gewoonlijk wordt gehanteerd, en dat is een klein positief punt. De Pavlov-reacties die op dit moment op sites van de politiek tegengestelde zijde los zijn gemaakt, zijn natuurlijk van hetzelfde laken een pak. Maar op dit moment kan ik niet anders dan ze beschouwen als een gevoel van opluchting, dat men het ongemak dat men erover hoe dan ook moet hebben ervaren, achter zich kan laten. Want al vallen de aantallen in het niet bij wat een Pol Pot heeft aangericht, de gedachtenpatronen in de denkwereld van Anders Breivik lijken sterke overeenkomsten te hebben met die van deze psychopathische moordenaar.

Het valt in ieder geval te hopen dat mensen die deze manier van debatteren tot hun handelsmerk hebben gemaakt, zich de komende tijd wat stiller zullen houden. Wat zou helpen, is dat opiniemakers van beide zijden van het politieke spectrum dit eens helder zouden uitspreken, en er van tijd tot tijd nog eens op terugkomen. Moreel geschreeuw is in een debat eerder verstikkend dan verhelderend.

maandag 11 juli 2011

Het zwart-wit van populisten



De gevestigde politieke elite heeft een nieuw etiket gevonden voor wat haar niet welgevallig is: populisme. Het is een woord dat al wat langer in een kwade reuk stond, al werd dat nooit exact gedetailleerd gedefinieerd. Dat is het nog steeds niet, maar het klinkt goed als bezwaar, en het heeft het bijkomende voordeel dat men er niet alleen de PVV mee aan valt (galant geaccepteerd overigens), maar ook de SP. Maar waar denken de politici die laatdunkend spreken over 'populisten' nu eigenlijk aan? Het verwijt dat men probeert te verwoorden betreft in de eerste plaats, dat SP en PVV zich tamelijk ongenuanceerd uitlaten. Dat is op zich correct, maar in hoeverre is dat eigenlijk bezwaarlijk? Wat is populisme, en wat zijn de bezwaren?

Om met dat laatste te beginnen: men vindt dat populisten inspelen op onderbuikgevoelens. Dat dat alleen gedaan kan worden door te weten wat het electoraat werkelijk denkt, in plaats van zegt te denken, laat men liever buiten beschouwing. Wie vindt dat deze onderbuikgevoelens geen rol mogen spelen in de politiek, wijst de facto de democratie af.

Grote gevestigde partijen plegen zich na een verkiezingsnederlaag te herbezinnen op hun programma's. Men probeert, kort gezegd, de beleden partijprincipes in een meer aan het tijdsmoment aangepaste populistische vorm te gieten, teneinde bij volgende verkiezingen beter voor den dag te komen. Een gevolg van electoraal succes, ongeacht of dit werd gerealiseerd door traditionele 'principe'-partijen of door populistische nieuwkomers, is dat het ten dele wordt gekopieerd. Verhakseld en gemengd met de traditionele partijprincipes, en vervolgens overgoten met een eigen sausje wordt het dan bij de eerstkomende verkiezingen weer aan de kiezer voorgezet.

Nieuwe partijen
Ook moet opgemerkt worden, dat een kenmerk van nieuwe partijen is dat zij populistisch MOETEN zijn, aangezien ze anders vanuit het perspectief van het electoraat niet interessant zijn. Zij brengen iets nieuws, dat gevestigde partijen om verschillende redenen nooit hebben op gepakt. Daarvoor zijn meestal goede redenen, die gelijk opgaan met de afkeer van 'populisme' door bestaande partijen. Immers, met het alternatief, mensen die zich verkiesbaar stellen als persoonlijk van hogere kwaliteit, win je in Nederland geen zetels, en zeker geen verkiezingen.

Maar vooral is het betitelen van politieke tegenstanders als 'populisten' onderdeel van de wanhopige strijd om de kiezer, alsook een gevolg van de miskenning van de politieke situatie van dit moment door de meeste partijen. Daardoor blijken ze niet in staat hun programma op orde te krijgen, of ze willen dat niet, zoals geldt voor de PvdA. Om deze laatste als meest pregnante voorbeeld te gebruiken: zij is een samenraapsel van carrièrejagers die op vele onderling vaak strijdige vlakken de wereld beter willen maken. Dat de kiezer daar geen chocola van kan maken zou weinigen mogen verwonderen.

Wat de politici van de gevestigde partijen bedoelen, is dat de ongenuanceerde toon van zowel SP als PVV hen niet aan staat. Te direct, te concreet, en niet gemaskeerd door vriendelijke woorden. Dit weekend (9/10 juli2011) stond in de weekend-bijlage van het Financieel Dagblad een interview met Paul Frissen, decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, een kopstudie voor toekomstige topambtenaren. En wat zei deze man, die het toekomstig pad van onze bestuurlijke elite moet verlichten?


...ressentimenten en misplaatste opvattingen over leiderschap die zich uiten in machogedrag zijn contraproductief. Zij ondermijnen de steun voor noodzakelijke hervormingen. Het gaat om pijnlijke operaties, waarbij meer compassie van de politiek verantwoordelijken op zijn plaats zou zijn. Van politieke bestuurders mag een gematigder woordkeus en meer zelfbeheersing worden verwacht. (...) De schrille toonzetting leidt tot verharding, waarbij racisme, discriminatie en uitsluiting van mensen aan de oppervlakte komen. (...) Zwart-wit denken brengt ons niet verder.

Frissen wil dat het zachtjes wordt gebracht, met compassie. Zwart-witte uitspraken moeten worden vermeden. Ongelukkig genoeg verandert de boodschap niet door het subtiel te brengen. Hoogstens verliezen minder hoog opgeleiden het overzicht, en komen op een bepaald moment tot het inzicht dat hen iets is verkocht dat hen niet voldoende duidelijk was toen het hen subtiel werd gepresenteerd. Maar dan hadden ze natuurlijk maar beter tussen de regels door hebben moeten leren lezen.

De gevestigde bestuurlijke elite houdt niet van duidelijkheid. Daar geeft men jaar na jaar ook uiting aan. In die zin is het niet eens onbegrijpelijk dat ze het hebben over 'tokkies', als het gaat om de mensen die liever kiezen voor de duidelijke taal van de 'populisten'. Alsof bedekt geformuleerde beleidswensen werkelijk anders uit zouden pakken dan helder gekozen woorden om uitdrukking te geven aan politieke wensen.

Wie het woord populist gebruikt om een politieke tegenstander weg te zetten, laat zich lelijk in de kaart kijken.

vrijdag 1 juli 2011

Libië en Soedan



Bij het oplichten van ieder nieuw tipje van de sluier die over de Libische kwestie ligt, wordt duidelijker dat de Westerse interventie via de NATO een onbezonnen daad was, ingegeven door de ongefundeerde hoop dat de 'Arabische Lente' en democratische beweging was, in plaats van de opstandigheid van bevolkingen die hun steeds moeilijker wordende leefomstandigheden aan hun regeringen verweten. De koehandel in de Veiligheidsraad, die volgde op het Westerse voornemen in te grijpen ten bate van de rebellen in oostelijk Libië, bezegelde het onzalige karakter van wat steeds meer het karakter van een Vietnamees moeras begint te krijgen.

De diepere oorzaak van de Libische kwestie gaat terug op de koloniale tijd, toen Italië het Turkse rijk twee van haar provincies in Noord-Afrika afhandig maakte, en die verenigde tot de Italiaanse kolonie Libië. Na de dekolonisatie bleef die grens liggen zoals de Europeanen die getrokken hadden, in een land, waar men zich in de eerste plaats identificeerde met de eigen stam, in plaats van met de natie Libië. Het is een probleem dat je door geheel Afrika heen aantreft, maar dat over het algemeen pas zichtbaar wordt als binnen dergelijke amalgaamstaten regeringswisselingen plaats moeten vinden. Machtsdeling is binnen Afrika een woord dat pas laat werd geïmporteerd, en waarvan de betekenis nooit voldoende is doorgedrongen om het werkbaar te gebruiken.

Failed states
De vorming van de staten zoals die plaats vond rond 1960 was in feite een onnatuurlijke ontwikkeling. Wie de geschiedenis van veel grote rijken bekijkt, ziet een evolutie van kleinere eenheden die langzaam tot een groter geheel aaneengesmeed worden. Dit geldt niet alleen voor de meeste van de Europese naties vandaag de dag, maar evenzeer voor grotere naties als China, Japan en Iran. In de historische wetenschappen staat dit bekend als concentrische concentratie.

De Libische opstand is een typisch voorbeeld van een staat, die door interne verdeeldheid onmogelijk als natie kan worden beschouwd. Het is ook niet de eerste keer dat het oosten van het land in opstand komt tegen Gadaffi. Het is wèl de eerste keer dat het op zo'n schaal gebeurt, dat het westen er op tijd van op de hoogte was om zich er mee te kunnen bemoeien. Daarbij aangetekend, dat ook de politieke situatie zich daarvoor leende. Maar dat niet iedere gelegenheid direct moet worden benut wordt hier vlekkeloos gedemonstreerd.

Soedan
De belangrijkste aanleiding voor het westen om zich er mee te bemoeien, wat men er verder ook over zal zeggen ter verdediging, is olie. Libië was één van de vijf grootste olieproducenten van de wereld. Als we de gebeurtenissen in Libië vergelijken met wat de afgelopen 50 jaar in Soedan is gebeurd, wordt duidelijk hoe schrijnend de westerse desinteresse eigenlijk is. Niemand heeft zich ooit meer dan marginaal geïnteresseerd voor wat er in het land gebeurde; de berichtgeving er over werd door Nederlandse kranten jarenlang als stopper gebruikt op momenten dat er te weinig nieuws was. Pas in het multimediatijdperk is hierin verandering gekomen, en in die zin is het effect van de multimedia revolutionairder geweest dan in de 'Arabische lente', waarin zij slechts een marginale rol speelden.

De Soedanese burgeroorlog is nu, na ongeveer vijftig jaar onafgebroken gevechten, bijna ten einde door een door de VN afgedwongen splitsing van het land. Daarmee wordt een misser uit de tijd van de dekolonisatie eindelijk rechtgezet. Niet alleen zijn er grote etnische verschillen tussen Noord- en Zuid-Soedan, er is ook nog de kwestie van islamitisch versus christelijk/animistisch. Soedan is een etnisch begrip dat door de Britten in de 19e eeuw is gedefinieerd. Niet minder, maar vooral niet meer. Men had er goed aangedaan die splitsing in 1960 vast te leggen.

Gadaffi
In feite moet je Libië ook gewoon splitsen. Er is alle aanleiding toe, en dat kolonel Gadaffi in westelijk Libië aan de macht zal blijven is wellicht een bittere pil, maar gezien de ontwikkelingen een onvermijdelijke uitkomst. Zonder westerse interventie te land is het eigenlijk ondenkbaar dat hij op korte termijn door de wapenen kan worden onttroond.

Sterker, het is hoogst waarschijnlijk de snelste methode om zijn dynastie ten val te brengen. Het grootste deel van de Libische olierijkdom zit immers in de regio Benghazi, dat door de opstandelingen wordt beheerst. Het westen is een tamelijk arm gebied, dat op korte termijn vooral zal moeten drijven zal op de banktegoeden elders in de wereld. De gevolgen van die aderlating voor het regime laten zich raden. Het westen kan rustig achterover leunen tot een succesvolle paleiscoup ruimte maakt voor onderhandelingen van een normalisatie van de verhoudingen.

Bezwaren
Het is omslachtig, er komt weer een staat bij, en ons rechtvaardigheidsgevoel loopt een deuk op. Van deze drie bezwaren is alleen het laatste relevant, want het raakt de kern van het probleem van de hedendaagse elites: de publieke opinie. Daar zullen ze maar eens overheen moeten stappen. Er zijn op dit moment grotere problemen dan dat we ons kunnen veroorloven in een lokale oorlog in de Middellandse Zee betrokken te raken.

Dat het ook een goed idee zou zijn om bij een volgende gelegenheid eens een paar stappen vooruit te denken, in casu, of en in hoeverre, we in een oorlog in Libië betrokken willen worden. Dat is voor de hedendaagse elites echter helaas te veel gevraagd, kennelijk.

dinsdag 14 juni 2011

Discriminatie



Vanmorgen las ik in De Pers een berichtje, dat PVV'ers ook worden gediscrimineerd. De Pers was de antidiscriminatiebureaus langs geweest, en ten opzichte van 2009 was het aantal klachten in 2010 met maar liefst met 300% toegenomen! In exacte getallen klinkt dat al een stuk minder indrukwekkend, in 2010 waren immers maar 77 meldingen geweest.

Het ging hierbij vooral om uitingen in de media: vergelijkingen tussen PVV en NSB, de introductie van de term Bruin 1 voor het kabinet Rutte in oktober, maar ook van een scholier die zijn opstel naar eigen zeggen met een onvoldoende zag bestraft wegens de politiek incorrecte mening die hij er in verkondigde.

Wat we daar van moeten vinden? Ik vind het fantastisch! In zekere zin is hier namelijk sprake van emancipatie. Het artikel suggereerde dat de klagende PVV'ers zonder uitzondering blank waren, en meestal man. De groep die volgens erkende wijsheid niet gediscrimineerd kan worden, omdat zij de bron is van alle kwaad. De enige minderheidsgroep die standaard als de onderdrukkende meerderheid wordt gezien.

De antidiscriminatiebureaus hebben de klachten genoteerd. Dat is winst, want laten we wel zijn, als pakweg twintig jaar terug iemand strak stevig rechtse ideeën had en werd uitgescholden voor nazi, dan ontkende je dat netjes (en naar we mogen hopen naar waarheid), maar dat je je daarmee kon vervoegen bij een antidiscriminatiebureau kwam niet in je op. Slikken, verbijten en inwendig vloeken op de lichtzinnige nitwits die zonder enige kennis van zaken naar het gemakkelijkste scheldwoord grepen. Immers, wie nazi werd genoemd, was af. Geen verdediging tegen mogelijk.

Ik vind het dapper dat mensen de moed hebben om naar zo'n bureau te gaan, en een dergelijke klacht neer te leggen. Het is traditioneel toch een beetje het hol van de leeuw. Mij zullen ze er niet zien, en ik vind het ook niet nodig heel veel mensen de gang erheen maken. Aan een dikke huid is nog nooit iemand doodgegaan. Maar dat het kan als het de spuigaten uit gaat lopen is een goede zaak.

zaterdag 11 juni 2011

Gezag in crisis



Burgemeestersdie weigeren besluiten van de Rijksoverheid uit te voeren, moeten op zoek naar een andere baan. 'Dit is de zoveelste vorm van bestuurlijke ongehoorzaamheid.'

Dat heeft PVV-Kamerlid Hero Brinkman donderdag gezegd naar aanleiding van het verzet van de gemeenten tegen een gedeelte van het bestuursakkoord. Tijdens overleg in de Tweede Kamer vroeg Brinkman minister Piet Hein Donner (CDA, Binnenlandse Zaken) wat hij van plan is aan de 'weigerburgemeesters' te doen. In de ogen van Brinkman blokkeren de burgemeesters - als 'ondemocratisch benoemde bestuurders' - besluiten die door de Tweede Kamer zijn genomen. Minister Donner waarschuwde de bestuurders dat ze spijt gaan krijgen van hun 'nee' tegen het akkoord.

Het is hoog tijd dat dit fenomeen, de weigerburgemeester/gemeente, eens aan de kaak wordt gesteld. Natuurlijk, gemeenten en hun bestuurders hebben eigen verantwoordelijkheden. Maar het is sinds een jaar of veertig in toenemende mate gewoonte geworden dat gemeenten het beleid van de nationale overheid dat hen niet bevalt, saboteren, slechts deels uitvoeren of domweg negeren. Tegelijkertijd vraagt men zich vertwijfeld af, hoe het kan dat het gezag van de gemeentelijke overheid door vrijwel niemand meer als vanzelfsprekend wordt gezien.

Wie het verband niet ziet, wil het niet zien.

De lijst van afwijkingen van wat officieel is toegestaan is zo lang geworden, dat regelmatig gemeenten zich niet of nauwelijks bewust zijn van de overtredingen die zij begaan. De indirecte subsidiëring door de gemeente Vlaardingen van de "Gazavloot" is slechts een enkel incident in een lange rij. Nederlandse wethouders vliegen de wereld rond om allerlei projecten in het buitenland in ogenschouw te nemen, zonder zich maar een moment af te vragen of dat is waarvoor zij betaald worden. In tijden van voorspoed is het al dubieus genoeg, maar in tijden van voortdurende bezuinigingen zijn het activiteiten die door minder gelukkigen met wrok worden bezien. Terechte wrok.

Hero Brinkman stelt het nu aan de orde naar aanleiding van een concreet punt, maar het is een fenomeen dat een diepgaander debat verdient. De overheid kan geen moreel beroep doen op haar onderdanen zonder zelf het goede voorbeeld te geven. Haar dienaren zijn daarvan onvoldoende doordrongen, en het is de hoogste tijd daar werk van te maken.

woensdag 1 juni 2011

Griekenland en de banken



Het is geen populair standpunt, maar de banken de zwarte piet van de Griekse kredietcrisis geven is niet terecht. Om staatsschulden te financieren heb je banken nodig. Dat het beter zou zijn geweest helemáál geen staatsschulden op te bouwen, daar kom ik graag in een ander blog op terug.

Veel Europese banken zitten vol met Griekse staatsleningen, maar niet alleen Griekse. De balansen staan vol met allerhande staatsleningen, van Ierse tot Roemeense. Het grootste deel van de Europese staatsschulden wordt gefinancierd via pensioenfondsen en commerciële banken. Zo werkt het systeem, en een beter systeem van het financieren van staatsschulden is er niet.

In Elsevier werd eerder deze week bepleit de banken mee te laten betalen aan de kredietcrisis. Op zich is dit terecht, want de rentemarges die de banken hadden bedongen horen een afspiegeling te zijn van het risico van terugbetaling. Wie fouten maakt, moet op de blaren zitten. Toch moet je constateren, dat de rente die de banken vroegen in retrospectief eigenlijk veel te laag was. Immers, nu het misloopt, lijden ze verlies. Dat kan niet de bedoeling van het uitlenen van geld zijn. Maar als een hogere rente was gevraagd, was Griekenland veel eerder failliet gegaan.

Gisteren kwam Willem Vermeend (PvdA) echter met een voorstel voor een plan van aanpak dat per definitie ongezond is:

... het is nodig dat regeringen van de eurolanden, naast de aangekondigde bankenheffing, in ieder geval een gezamenlijk afspraak maken over een verplichte bijdrage van het Europese bankwezen aan de oplossing van de schuldencrisis. Zonder zo’n bijdrage zal het vertrouwen van de burgers in Europa verder afbrokkelen en zullen politieke partijen met een anti-opstelling tegen de Europese Unie als kool blijven groeien. Om te voorkomen dat banken met schulden aan risicolanden als Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland straks gered moeten worden door de belastingbetalers besluiten de Eurolanden dat deze banken zolang zij deze schulden op hun balans hebben staan geen winstuitkeringen mogen doen aan hun aandeelhouders, geen bonussen mogen uitkeren en worden de salarissen voor de top en het subtopkader bevroren ...

Dit is een vorm van gelijkschakeling van de banken. Dat veel mensen dit toe zouden juichen, al was het alleen uit leedvermaak ten aanzien van top- en subtoppers van de banken is, hoe begrijpelijk ook, economisch rampzalig.

Laten we ons eens voorstellen, dat de banken zo verstandig zouden zijn niet langer de staatsschulden van financieel zwakkere landen te faciliteren, zelfs niet tegen woekerrentes. Wat zou gebeuren? Het financieel systeem klapt in elkaar, of we maken ons rechtstreeks afhankelijk van landen als Saoudi-Arabië en China. Ik breng u in herinnering wat de eerste eis aan de banken was na de reddingen in 2009: ga geld uitlenen! Banken kregen vervolgens het verwijt te voorzichtig te zijn met uitlenen, en daardoor het economisch herstel te frustreren. Kortom, de banken kunnen het in de ogen van het publiek nooit goed doen, en zijn een dankbare steen des aanstoots voor politici en burgers als zij een zondebok zoeken.

Bovenstaande betekent niet, dat individuele banken geen fouten hebben gemaakt, soms op het misdadige af zelfs. Het betekent wèl, dat er weinig alternatieven zijn voor het bestaande systeem. Inclusief het grootste deel van de fouten die er inherent aan zijn. Natuurlijk hebben de banken de schuld, maar het is een schuld die in het systeem zit ingebakken.

De banken zullen gered moeten worden, omdat ze door de EU en de Europese staten in de huidige positie zijn gemanoeuvreerd. De ware schuldigen zijn de EU-commissie en de regeringen van de nationale staten.