zaterdag 23 april 2011

De meritocratische benadering faalt



Job Klaasen, op 2 maart lijsttrekker voor de Provinciale Staten in Overijssel voor de VVD, vertrok woensdagavond vlak voordat hij opnieuw geïnstalleerd zou worden als gedeputeerde. Het zou zijn derde termijn geworden zijn.

De reden voor zijn vertrek is dat hij twee hbo-opleidingen op zijn cv had staan, die interne bedrijfscursussen bleken te zijn. Klaasen is slachtoffer geworden van een integriteitstoets die in 2007 werd ingevoerd, en die voorschrijft dat diploma's moeten worden gecontroleerd.

Wat de gehele zaak lichtelijk bizar maakt, is dat Statenleden desgevraagd aan RTV-Oost vertelden, dat al langer bekend was, dat er iets rammelde aan het CV van Klaasen. Deze man vertrekt dan ook niet, vanwege een te gebrekkige opleiding, maar doordat hij zich tien jaar terug beter voordeed dan hij was, en daarna blijkbaar niet meer terug kon.

Ik ben een voorstander van het verwijderen van mensen die liegen, maar in dit geval lijkt het me dat de man zich de afgelopen jaren met terugwerkende kracht heeft bewezen. Na acht jaar blijkbaar goed te hebben gefunctioneerd (hij werd immers voorgedragen voor een derde termijn) als gedeputeerde, kun je immers niet langer spreken over de relevantie van ooit al dan niet behaalde diploma's.

Mijn grootste bezwaar is echter de perceptie dat diploma's van belang zouden zijn voor vakkennis en mogelijkheden. dat is wellicht de eerste vijf jaar na het behalen de kwestie, maar daarna verliest het ooit geleerde snel aan belang. Niet alleen is de toen geleerde stof niet zelden verouderd, men moet ook maar afwachten in hoeverre dat allemaal is blijven hangen. Het saldo daarvan mag beslist niet overschat worden. Het belangrijkste van hogere opleidingen is de manier van denken die daar wordt aangeleerd. De wijze, waarop professionele problemen benaderd moeten worden, is veel belangrijker dan de specifiek verkregen kennis.

Dat dit maar beperkt gegarandeerd wordt door het behalen van een diploma, wordt echter vooral beseft door diegenen, die niet alleen opleidingen succesvol afrondden, maar tevens het inzicht van de betrekkelijkheid van het geleerde verwierven. Deze groep, dat zijn de werkelijk hoger opgeleiden. Juist, omdat zij beseffen dat hoger onderwijs weliswaar de beste weg is naar het gewenste denkniveau, maar zeker niet de enige.

Eenzelfde probleem zien we vaak terug in de wijze waarop nog wel eens wordt omgegaan met de vooropleiding van minister van onderwijs Van Bijsterveldt (CDA). Haar hoogste behaalde diploma is MBO-verpleegkunde, en tegen haar beleid protesterende studenten doen hier onterecht maar geregeld heel laatdunkend over. En zwaktebod, slechts bedoeld om zichzelf gerust te stellen met de illusie, dat de eigen studie een paspoort naar een beter geregelde toekomst zal betekenen.

De belangrijkste reden dat we zo op diploma's zijn gefixeerd, is niet alleen dat vrijwel iedereen in de gelegenheid wordt gesteld er een te behalen, maar ook dat we steeds minder in staat blijken om een goede waardering te hebben voor verkregen ervaring. Wie weinig of geen ervaring heeft met een bepaalde professionele branche, vindt het vaak bijzonder moeilijk een correcte inschatting te maken van wat men in die omgeving aan extra kwaliteiten kan hebben ontwikkeld. Iedereen, die geen beleidsmedewerker is of een uitvoerende functie heeft, mag zich tegenwoordig manager noemen. Maar juist onder managers is het vermogen onafhankelijk te denken en problemen van uit een originele hoek te benaderen zwak ontwikkeld.

Een nadeel van die fixatie op diploma's, is dat vrijwel iedereen zich geroepen schijnt te voelen zijn of haar denk-niveau te benadrukken teneinde serieus te worden genomen. Juist daardoor is het begrip HBO-niveau (i.e. HBO gedaan, maar geen diploma) in veel opzichten compleet uitgehold. Alweer twaalf jaar geleden had ik een date met een meisje dat haar niveau ook meende te moeten adverteren: ze had via een colloquiem doctum een jaartje Conservatorium gedaan.

Vaak pretenderen wij in een democratische meritocratie te leven. Nu kun je bij de definitie van democratie, en hoe dat in te vullen al vraagtekens zetten, maar ook het begrip de meritocratie is op de keper beschouwd dubieus. Nu de regering vooral trotse cijfers publiceert over het percentage Nederlanders dat hoger onderwijs heeft genoten, is de vraag gerechtvaardigd in hoeverre dat nog iets te betekenen heeft. Blijkbaar is de bedoeling, een ideaal van gelijke kansen qua opleiding uit te stralen. Maar natuurlijk werkt dat zo niet.

Speciaal in een omgeving waar iedereen een min of meer gelijke opleiding heeft genoten, geven andere factoren de doorslag voor succes. Zoals de wijze, waarop je door opvoeding en contacten al op jonge leeftijd bekend bent geraakt met de wijze waarop de elite zich met elkaar verstaat. Door een monomane doelgerichtheid. Door op gerichte wijze al jong te bouwen aan een cirkel van vrienden en kennissen die eveneens ambitieus is en contacten heeft. Meer dan iets anders, stimuleert het gelijkheidsideaal het ontstaan van old boys-networks.

dinsdag 19 april 2011

De blauwste ogen van Amsterdam



Voorkeursbeleid heeft als vervelend bij-effect, dat niet zelden incompetente, of nog niet voldoende ervaren mensen op te hoge posities terecht komen. Burgemeester Aboutaleb was een voorbeeld van te snel en onervaren. Hoewel hij als wethouder in Amsterdam en staatssecretaris beslist bestuurlijke ervaring had, was de post van burgemeester van Rotterdam in eerste instantie veel te hoog gegrepen. Daarna werd het stil rond Aboutaleb, wat in dit geval als een goed teken moet worden opgevat. Desalniettemin is zijn positie door de rellen in Hoek van Holland en de nasleep daarvan dusdanig verzwakt, dat hij zich de komende jaren niet al te veel kan permitteren zonder de discussie over zijn geschiktheid opnieuw op te rakelen. Hierdoor kwam ook een ander nadeel van de te snelle promotie aan het licht: er is geen uitweg meer.

Wie in een minder prominente positie niet direct goed functioneert, kan niet zelden via de uitweg van een gelijkwaardige post, maar dan in de luwte, zijn geschonden blazoen herstellen. Maar de burgemeestersposten van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag worden tot de meest begerenswaardige bestuurlijke posten van Nederland gerekend, hoger aangeslagen dan een Commissariaat der Koningin. Overstappen naar een andere post kan niet anders worden begrepen dan als een degradatie, dus zal Aboutaleb er nog wel een tijdje moeten blijven zitten. En hij is nog vrij jong.

Wie vrijwel altijd met Aboutaleb in één adem wordt genoemd, is Fatima Elatik, voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Oost. Eveneens van Marokkaanse afkomst, maar kwalitatief kan ze niet in de schaduw staan van de Rotterdamse burgemeester. De Amsterdamse stadsdelen zijn qua omvang goed vergelijkbaar met middelgrote steden, en hun voorzitters met de burgemeesters daarvan. De strapatsen waar Elatik echter mee wegkomt, zouden in een echte gemeente onmogelijk geaccepteerd kunnen worden. Dat dat in een stadsdeel wel gebeurt, heeft alles te maken met het feit dat de officiële eindverantwoordelijkheid bij de centrale stad ligt. En met de machtspositie van de PvdA in die stadsdelen.

En opnieuw is het raak: een beleidsmedewerker, die persoonlijk (!) door de stadsdeelvoorzitter van Oost is aangesteld, heeft de stichting Argan, waar hij voorzitter van is geweest ingehuurd voor een dure debattenreeks. Stichting Argan is de exploitant van een jongerencentrum in Amsterdam-West. Elatik heeft 40.000 euro uitgetrokken voor vijf debatten over polarisatie en vervreemding. Nu kost een politiek debat door de griffie laten organiseren hooguit duizend euro, maar dat is niet alles. 18.000 euro zijn uitgetrokken voor managementkosten. Ook de deelraad had met dit budget in moeten stemmen, maar dat is niet gebeurd.

Het is de zoveelste uiting van de zelfgenoegzame eigengereidheid van Elatik, die zich niet laat corrigeren. Eerdere incidenten betroffen het huren van een zeilschip haar stadsdeel Oost voor de eigen bestuurders tijdens Sail Amsterdam a raison van 30.000 euro, een garantstelling door de deelraad voor 30 miljoen voor een muziekcentrum dat op een faillissement afstevent en de deelgemeente dreigt mee te sleuren, en een privétaxirit voor een bedrag van 450,- Euro die bij de deelgemeente werd gedeclareerd. Elatik doet commentaar op haar handelen steevast af als racistisch geïnspireerd:

“Hallo! Wat denk je zelf? Moslim, PvdA, Marokkaan en hoofddoek. Fouter kan niet in deze tijd.”

In oktober leek Elatik dan toch te struikelen over het weghouden van informatie over het muziekcentrum, een politieke doodzonde. Gesteund door haar eigen PvdA werd het bestuurscollege van de deelgemeente ten val gebracht. Nog geen maand later was ze weer terug, en moesten de PvdA-deelraadsleden voor haar door het stof. Het bevel voor haar herstel kwam van de Amsterdamse PvdA-partijtop, maar was ook kortgesloten met de Amsterdamse VVD.

Het probleem met Elatik is niet eens zozeer dat ze volstrekt incompetent is (hoewel ik daarvan ben overtuigd), het probleem is in de eerste plaats dat ze zichzelf ziet als een voorvechter van Marokkaanse emancipatie. Dat was ze geweest als ze goed gefunctioneerd had. Rolmodellen liggen nu eenmaal altijd onder een vergrootglas. Dat is onaangenaam, maar onderdeel van het rolmodel. Elatik echter, redeneert volgens het principe, dat je als emanciperend rolmodel niets fout kunt doen. Het ergste is, dat ze daarin wordt gesteund door de partijtop van de PvdA, zowel die in Amsterdam als landelijk. Bij ieder incident opnieuw kijkt ze vreselijk onschuldig, weigert iedere eigen verantwoordelijkheid, en valt criticasters persoonlijk aan.
Zal Elatik zich nog beteren? Het is een vraag die de lachlust opwekt. Ernstiger is de vraag wanneer de PvdA haar leven gaat beteren. Want deze partij is de hoofdschuldige in het drama Elatik, een persoon dat men heeft gestimuleerd in haar narcistische egotrips. De problemen met Elatik zijn exemplarisch voor de hautaine wijze waarop de PvdA in Amsterdam lang met haar bevolking om is gegaan. Vasthouden aan de macht is ten koste van het algemeen belang tot hoogste prioriteit verheven; Elatik heeft in Oost een dergelijk grote Marokkaanse achterban, dat als zij voor zichzelf zou beginnen, de PvdA ter plaatse zou worden gedecimeerd.

De laatste weken zijn geluiden uit de PvdA doorgekomen, die er op zouden wijzen dat de partij zich voorbereidt op een ommezwaai in haar standpunten met betrekking tot standpunten over de multiculturele samenleving. Maar zo lang Elatik op haar post blijft, en namens de PvdA bestuursfuncties in overheidsdienst bekleedt, kan dat niet als een serieuze beweging worden beschouwd. De voortekenen hiervoor kun je niet gunstig noemen. De Statenonderhandelingen in Noord-Holland hebben de PvdA twee zetels in het provinciebestuur opgeleverd, één waarvan via een interne coup lijkt te zullen gaan naar Elvira Sweet, voormalig stadsdeelvoorzitter van Amsterdam ZuidOost (Bijlmer). Een stadsdeel met een zeer kwalijke reputatie als het gaat om vriendjespolitiek, zwak bestuur en schuiven met subsidies. Bovendien is Sweet enige malen opgepakt wegens rijden onder invloed, opgeven van een valse naam, pogingen de zaak in de doofpot te stoppen etcetera etcetera. En nu wordt ze dus lid van het provinciebestuur omdat de Amsterdamse PvdA zich daar heel sterk voor heeft gemaakt. Een dergelijke carrière onder PvdA-vlag is ook voor Fatima Elatik niet ondenkbaar. Verbazingwekkend is vooral de koppigheid waarmee de PvdA aan deze mensen hangen blijft.

zondag 17 april 2011

De absolute waarheid



Er is in het ons bekende universum maar één keiharde waarheid: het absolute nulpunt, zoals gedefinieerd door de Britse natuurkundige Kelvin ( ± -273° Celsius). Bij 0 graden Kelvin beweegt er niets meer, alles staat stil.

De logische consequentie van bovenstaande constatering, is dat alle andere waarheden relatief zijn. Overdenkt u dit eens rustig.

Dit geldt in de historische en sociale wetenschappen in een nog veel sterkere mate. Waarheden bestaan eigenlijk niet, onze levensfilosifie is gebaseerd op een complex samenspel van aannames en schijnzekerheden. Een belangrijk element van de wijze waarop we de wereld beschouwen is ons talent ons af te sluiten voor onaangename feiten waarmee we worden geconfronteerd als deze niet passen in het paradigma waarmee we zijn grootgebracht. We gebruiken het woord ´menselijk´ om aan te geven dat we geen dieren zijn, terwijl tegelijkertijd zo goed als vaststaat dat we via een lange weg geëvolueerd zijn uit eencellige organismen die elkaar zonder enige morele overweging opslokken. We staan aan de top van de voedselketen, terwijl grote groepen mensen morele problemen hebben ontwikkeld met het eten van vlees. Onze beschaving is zover voortgeschreden, dat we niet langer willen weten dat we deel uitmaken van een natuur, die onbarmhartig is. Weinig mensen zijn tegenwoordig nog in staat vlees voor eigen gebruik te slachten. Niet alleen de noodzakelijke kennis ontbreekt vaak; we zouden het ook niet meer kunnen zonder van onszelf te walgen.

Op dezelfde wijze is ook een paradigma van de gelijkheid van culturen ons wereldbeeld binnen geslopen. Gelijkheid in de zin van gelijkwaardig. Daarom proberen wij andere culturen niet het gevoel te geven dat de onze superieur is. Maar ook gelijkwaardigheid is een relatief begrip. Juist door die gelijkwaardigheid te benadrukken, accentueren we de morele superioriteit van de westerse cultuur. Want geen enkele bestaande cultuur in de ons bekende wereld hecht zoveel belang aan wat moreel juist is, we hebben die moraliteit tot een absolute waarheid verheven. Dat gaat zo ver, dat we vinden dat het mensen met een van ons verschillende cultuur zo gemakkelijk mogelijk moet worden gemaakt als ze in onze maatschappij willen wortelen. In de woorden van raadsheer Tom Schalken:

Met name op het punt van "in het openbaar kwetsen" zal meer terughoudendheid moeten worden betracht. Dat heeft niks te maken met een revival van zedelijk paternalisme. Te veel abstinentie op allerlei fronten van overheidsoptreden, zoals bij softdrugs, leidde tot een grotere verloedering van het openbare domein. Ik ben dus niet bang voor terugkeer naar een preutse samenleving. Ook heeft dit een pragmatisch aspect. Mensen met een andere culturele achtergrond kunnen bij overschrijding van die grenzen makkelijk gaan denken dat alles mag.'

Kort gezegd, wij moeten meer rekening houden met anderen, dan met onszelf. Opdat hen onze verlichting deelachtig mag worden. Opmerkelijk is ook, dat hij daarbij pleit voor een sterkere overheid om onze moraliteit te versterken. Dat dit een innerlijke tegenstrijdigheid is, valt hem daarbij niet op.

Wetenschappers in de humaniora zijn zich er al langere tijd van bewust, dat theorieën die zaken verklaren vanuit een simpel perspectief, gedoemd zijn mankementen te vertonen bij consequente toepassing. In de extremen vertonen zich de meeste gebreken. Dat betekent dat er in de praktijk altijd zal moeten worden geschipperd met een theorie om hem werkend te krijgen, waarmee de theorie in feite is ontkracht. Ook in de maatschappij bestaan geen absolute waarheden. Nieuwe inzichten toevoegen is nuttig en functioneel, volledige nieuwe verklaringen van bekende feiten zijn kwetsbaar voor uitzonderingen die hen in de ogen van velen in diskrediet brengen. Waarmee we onvermijdelijk vervallen in een welles-nietes spelletje dat weinig zinvol is.

Absolute waarheden bestaan niet. Nieuwe inzichten die effect lijken te hebben worden te makkelijk verheven tot de nieuwe waarheid, met als pijnlijk gevolg dat we de neiging hebben ze tot in extremis te willen doorvoeren. de gevolgen daarvan zien we dagelijks om ons heen: de staatsschuld, die goed zou zijn voor de economie, de multiculturele samenleving, die zich heeft ontwikkelt tot een dictaat van nieuwkomers die tot in de uiterste consequenties moeten worden beschermd tegen kwetsing van hun culturele identiteit, de gedachte dat de overheid de ware vijand is, terwijl het vooral de uitvoerenden in dienst van die overheid zijn die onze vrijheid belemmeren, in naam van pogingen ons absolute bescherming te bieden tegen de gevaren van alledag.

Het gezond verstand is een ondergewaardeerde kwaliteit, juist omdat dit een houding van geven en nemen impliceert. Terwijl juist het streven naar absolute resultaten gevaarlijk is. Niet alleen omdat het een zinloze exercitie is, maar ook omdat het de kwaliteit van leven in het algemeen aantast.

zaterdag 9 april 2011

Beschermgeld



Een oude wijsheid zegt dat de eerste bandieten de overheid vormden, die de laatkomers direct brandmerkten als schurken.

Gisteren kwam uit Gouda het bericht dat de gemeente per direct haar samenwerking met een bureau, dat straatcoaches levert, opzegt:


Wat de straatcoaches opschreven in hun rapportages klopte niet met wat we hoorden uit andere bronnen, zoals de politie en de stadswachten. Bovendien werden de straatcoaches ‘door de beperkte beschikbaarheid niet vaak gezien en werd de signaalfunctie heel beperkt ingevuld. In een nota van B en W over de kwestie staat dat het ‘lastig blijkt om goed inzicht te krijgen in de dagelijkse activiteiten van de straatcoaches en goed op deze inzet te sturen. Ze bouwden onvoldoende contacten op met jongeren, bewoners en organisaties en verwezen te weinig jongeren en hun ouders naar hulpverleningsinstanties.


Gouda krijgt als een van de 22 Marokkanengemeenten per jaar 2 ton voor de inzet van de straatcoaches. Dat geld wil de gemeente nu gaan gebruiken voor het starten van een werkgelegenheidsproject waarbij lokale jongeren worden opgeleid tot ... beveiliger. Ja ja, voor bescherming dient betaald te worden.

Om de oude Romein Juvenalis te citeren: “Quis custodiet ipsos custodes?” - Wie zal de bewakers zelf bewaken?

vrijdag 8 april 2011

Falende democratie?



Een van de belangrijkste zaken die de gedachten van weldenkend Nederland de laatste jaren bezighoudt is het `falen van de democratie`. Dat hiermee in Nederland in de eerste plaats wordt bedoeld, dat het electoraat zich heeft afgekeerd van de systeempartijen PvdA en CDA is al een indicatie dat de invulling van de vraag wellicht mankementen vertoont. Navenant is het afgeven van gevestigde politici op populisten. Populisme is de essentiële corrigerende factor van een gezonde democratie, want het kan alleen gedijen als het electoraat zich door de zittende regenten als onvoldoende gehoord beschouwt.

Ik gebruik de term regenten in de bovenstaande zin niet per ongeluk of in een poging een tegenstelling te creëren tussen volksvertegenwoordiging en bestuur. Regentesk gedrag van bestuurders genereert namelijk populisme. Het is het excuus voor een rode lap die ontevredenen gebruiken voor hun aanvallen op de zittende macht. Maar ontevredenen zijn er altijd. Niet alleen is het onmogelijk iedereen tevreden te stellen, altijd zijn er ook die zich niet tevreden willen láten stellen. Bij vrijwel elke verkiezing doen er kleine splinterpartijtjes mee, die zo goed als altijd met een miniem aantal stemmen de vergetelheid tegemoet gaan. Als echter voldoende onvrede ontstaat om populisten een kans te geven, is de praktijk dat één partij als de focus van die onvrede functioneert, ongeacht de concurrentie van de gebruikelijke kansloze splinterpartijtjes.

Dat één partij die onvrede blijkt te kanaliseren is op zich al een signaal, dat het niet gaat om een algemene onvrede (hoezeer die ook een grote rol kan spelen), maar dat een breed gevoeld ongenoegen zich in één bedding perst. Er is dus sprake van een zeker groepsgedrag. Splinterpartijtjes zijn altijd een manifestatie van mensen die buiten het centrum van de macht zijn gevallen, soms zelfs buiten de maatschappij. De consequentie van een brede populistische beweging is dat een breed gevoeld ongenoegen aan de oppervlakte komt. Ongenoegen, dat geen uitweg wist te vinden via de geijkte kanalen van de gevestigde partijen. Binnen gevestigde partijen zijn carrièrekansen niet zelden belangrijker dan als specifiek gevoelde wensen van nieuwkomers.

Daar komt nog iets bij. Sociale mobiliteit binnen een maatschappij volgt een cyclisch patroon. Elites hebben de neiging zich af te sluiten voor nieuwkomers, en als die verstopping voldoende knellend wordt, moet een zekere vorm van revolutie die verstarring doorbreken. In een gezonde democratische samenleving gaat dat met horten en stoten, maar het zal geen waarachtige revolutie tot gevolg hebben. In het ideale geval zal het worden opgepakt door gevestigde groepen, die het elan ook ten eigen dienste zullen gebruiken om veranderingen te bewerkstelligen. De jaren zestig zijn een uitnemend voorbeeld van een dergelijke omwenteling binnen de Nederlandse politiek.

Uit de aard der zaak, geregeerd door het cyclische karakter dat ik al noemde, is het echter onvermijdelijk dat de verworvenheden van de omwenteling in een later stadium verworden tot knellende banden. Altijd ontstaat een nieuwe groep die zaken anders (beter!?) wil regelen, en altijd zal er aanleiding ontstaan tot een generatiestrijd, die ook een strijd om de macht is.

Een falende democratie wordt daarom niet gekenmerkt door het opkomen van populistische bewegingen en een proces van verzet tegen de heersende regenten. Integendeel. In een falende democratie wordt een dergelijke beweging van onderaf door regenten onderdrukt, en wordt een groep duurzaam uitgesloten van deelname aan het landsbestuur. Hoe groter de groep is die wordt buitengesloten, hoe groter het falen van de democratie is.

Falende democratie?



Een van de belangrijkste zaken die de gedachten van weldenkend Nederland de laatste jaren bezighoudt is het `falen van de democratie`. Dat hiermee in Nederland in de eerste plaats wordt bedoeld, dat het electoraat zich heeft afgekeerd van de systeempartijen PvdA en CDA is al een indicatie dat de invulling van de vraag wellicht mankementen vertoont. Navenant is het afgeven van gevestigde politici op populisten. Populisme is de essentiële corrigerende factor van een gezonde democratie, want het kan alleen gedijen als het electoraat zich door de zittende regenten als onvoldoende gehoord beschouwt.

Ik gebruik de term regenten in de bovenstaande zin niet per ongeluk of in een poging een tegenstelling te creëren tussen volksvertegenwoordiging en bestuur. Regentesk gedrag van bestuurders genereert namelijk populisme. Het is het excuus voor een rode lap die ontevredenen gebruiken voor hun aanvallen op de zittende macht. Maar ontevredenen zijn er altijd. Niet alleen is het onmogelijk iedereen tevreden te stellen, altijd zijn er ook die zich niet tevreden willen láten stellen. Bij vrijwel elke verkiezing doen er kleine splinterpartijtjes mee, die zo goed als altijd met een miniem aantal stemmen de vergetelheid tegemoet gaan. Als echter voldoende onvrede ontstaat om populisten een kans te geven, is de praktijk dat één partij als de focus van die onvrede functioneert, ongeacht de concurrentie van de gebruikelijke kansloze splinterpartijtjes.

Dat één partij die onvrede blijkt te kanaliseren is op zich al een signaal, dat het niet gaat om een algemene onvrede (hoezeer die ook een grote rol kan spelen), maar dat een breed gevoeld ongenoegen zich in één bedding perst. Er is dus sprake van een zeker groepsgedrag. Splinterpartijtjes zijn altijd een manifestatie van mensen die buiten het centrum van de macht zijn gevallen, soms zelfs buiten de maatschappij. De consequentie van een brede populistische beweging is dat een breed gevoeld ongenoegen aan de oppervlakte komt. Ongenoegen, dat geen uitweg wist te vinden via de geijkte kanalen van de gevestigde partijen. Binnen gevestigde partijen zijn carrièrekansen niet zelden belangrijker dan als specifiek gevoelde wensen van nieuwkomers.

Daar komt nog iets bij. Sociale mobiliteit binnen een maatschappij volgt een cyclisch patroon. Elites hebben de neiging zich af te sluiten voor nieuwkomers, en als die verstopping voldoende knellend wordt, moet een zekere vorm van revolutie die verstarring doorbreken. In een gezonde democratische samenleving gaat dat met horten en stoten, maar het zal geen waarachtige revolutie tot gevolg hebben. In het ideale geval zal het worden opgepakt door gevestigde groepen, die het elan ook ten eigen dienste zullen gebruiken om veranderingen te bewerkstelligen. De jaren zestig zijn een uitnemend voorbeeld van een dergelijke omwenteling binnen de Nederlandse politiek.

Uit de aard der zaak, geregeerd door het cyclische karakter dat ik al noemde, is het echter onvermijdelijk dat de verworvenheden van de omwenteling in een later stadium verworden tot knellende banden. Altijd ontstaat een nieuwe groep die zaken anders (beter!?) wil regelen, en altijd zal er aanleiding ontstaan tot een generatiestrijd, die ook een strijd om de macht is.

Een falende democratie wordt daarom niet gekenmerkt door het opkomen van populistische bewegingen en een proces van verzet tegen de heersende regenten. Integendeel. In een falende democratie wordt een dergelijke beweging van onderaf door regenten onderdrukt, en wordt een groep duurzaam uitgesloten van deelname aan het landsbestuur. Hoe groter de groep is die wordt buitengesloten, hoe groter het falen van de democratie is.