zondag 29 mei 2011

Fascisme en de Vrijheid van Meningsuiting



Het principe van de vrije meningsuiting ligt minder voor de hand dan we vaak denken. Culturen hebben hun eigen waarheden, en brengen die van generatie op generatie over. Tegenstellingen en dwaalleren leiden af, en scheppen verwarring.

Een maatschappij die om kan gaan met meningen die als ridicuul, minderwaardig of eenvoudig ongefundeerd kunnen worden afgedaan, heeft lange tijd nodig zich te kunnen ontwikkelen. En een politieke elite, die daarmee om kan gaan, heeft evenzeer tijd nodig om zodanig te evolueren dat zij zich aan nieuwe inzichten kan aanpassen.

Een werkelijk vrij debat is afhankelijk van dergelijke randvoorwaarden, aangezien meningen en theorieën, die maatschappelijk als verwerpelijk worden gezien of dat zijn geworden, niet zelden waardevolle elementen bezitten. In ieder geval moeten zij vrij besproken kunnen worden om een analyse van hun verwerpelijkheid te kunnen demonstreren.

Angst voor meningen of theorieën is een slechte raadgever, aangezien pogingen tot uitsluiting van onderwerpen van het debat, er alleen toe kunnen leiden dat deze zaken tot mythische proporties worden opgeblazen.

De ontwikkelingen rond de duiding van het Duitse nationaal-socialisme en het Italiaanse fascisme laten dat zien. Door de gruwelijkheden die met de Holocaust waren verbonden, en doordat de staten waarin zij leidend waren geweest de oorlog verloren, werden deze politieke theorieën automatisch bijgezet in het horrorkabinet van de geschiedenis.

Dat de wortels van deze systemen lagen in de socialistische sfeer, met leiders die zich politiek verbonden met economisch rechts, staat voor historici in grote lijnen vast, maar zijn voor de gemiddelde burger bijna niet te vatten. Door deze politieke binding met economisch rechts zijn de gewelddaden van hun politieke neven na de Tweede Wereldoorlog door communisten, socialisten en sociaal-democraten aangegrepen om de ideologie van Nazi-Duitsland als eeuwig verdacht aan te merken.

Opgemerkt moet worden, dat de Italiaanse fascisten een dergelijk lot ontsnapten doordat de Italianen reeds in 1943 capituleerden na een interne opstand tegen Mussolini. De neo-fascisten zijn sinds WW II altijd een deel van het politieke spectrum in Italië gebleven, tot dat zij opgingen in een grotere rechtse partij na de val van de Eerste Italiaanse Republiek. Ook kregen de Italianen geen processen wegens oorlogsmisdaden aan de broek, een opmerkelijk feit dat zijn oorzaak vond in de medewerking van de Italianen aan de geallieerde oorlogsinspanning na 1943, en dat de ernstigste Duitse oorlogsmisdaden pas in de laatste oorlogsjaren hun volledige vorm kregen.

Wil ik met bovenstaande zeggen dat het Duitse nationaal-socialisme aan een herwaardering toe is? Niet als zodanig. Wat wel gedaan moet worden, is deze ideologie te splitsen in de samenstellende delen, en te analyseren hoe elk van deze heeft bijgedragen aan de verschrikkingen van de Holocaust. Welke specifieke elementen maakten dat de Duitse maatschappij zo uit het spoor kon lopen als zij deed?

Het uitgangspunt van een dergelijke analyse moet zijn, dat politiek gezien de opkomst van collectivistische systemen tussen de Wereldoorlogen een hoge vlucht nam. Zowel communisme als fascisme zijn in dat verband loten van dezelfde stam.

De tegenkrachten van het burgerlijke liberalisme waren in veel landen te zwak ontwikkeld om zich daar tegen te weer te stellen. Dat juist de landen met een weinig democratische traditie politiek ten prooi vielen aan collectivistische systemen is in dat verband onloochenbaar, en significant. Ook in staten met een langere democratische traditie genoten de collectivistische partijen een groeiende populariteit, maar die bleef altijd onder de kritische massa die zij wel kregen in autoritairder ingerichte staten.

De vrijheid van meningsuiting alsmede de vrije informatievoorziening hebben daar een belangrijke rol in gespeeld. Zolang zij gewaarborgd zijn, zullen totalitaire systemen in een moderne maatschappij geen kans maken.

donderdag 19 mei 2011

Cultuurverschillen




Afgelopen week kreeg ik via via wat Twitterberichtjes onder ogen van de hoofdredactrice van Opzij, Margriet van der Linden. Zij was op een conferentie in Caïro, waar men het, simpel gezegd, had over de vrouw in de Arabische lente. Ondanks de voorzichtig optimistische geluiden die uit die Twitterberichtjes sprak, heb ik nu niet de indruk dat er veel reden voor dat optimisme is. In zekere zin zou je tot haar geruststelling kunnen zeggen, dat de geschiedenis van het MO sowieso geen aanleiding geeft tot enig optimisme over emancipatie, dus alle winst is mooi meegenomen. En de rol van de Egyptische vrouwen tijdens de val van Mubarak is, tenminste in de westerse pers, niet geheel onopgemerkt voorbijgegaan.

Bovenstaande nog eens overdenkend, realiseerde ik me plotseling hoe weinig namen van prominente islamitische vrouwen de geschiedenis ons heeft overgeleverd. Specifiek, vrouwen die zelf macht uitoefenden, of dominant aanwezig waren in politieke of wetenschappelijke debatten. De enige naam die iedereen kent is Sheherazade, en het werk waarin haar naam onsterfelijk werd (1001 nacht) is niet anders dan een lang uitgesponnen (en succesvolle) poging haar eigen hachje te redden.

Nu ben ik niet meer dan een redelijk kenner van de geschiedenis van het Midden-Oosten, maar die oogst was wel bijzonder treurig. Wie kort nadenkt over de Europese geschiedenis komt ook zonder Wikipedia tot een aardige verzameling, en uit alle lagen van de bevolking. Om er een paar te noemen: vele katholieke heiligen, Elizabeth I, Jeanne d'Arc, Kenau Simon Hasselaar, Catharina de Grote, Marie Curie. De vrouwen (3) die Rusland tussen 1725 en 1800 regeerden hebben hun mannelijke collega's op grootse wijze in de schaduw gesteld.

Toegegeven, mannen domineren de geschiedschrijving. Maar hoewel het vrouwen nooit makkelijk is gemaakt, kun je zonder overdrijving zeggen dat de Europese culturen geen hysterische weerstand tegen vrouwelijk gezag te zien hebben gegeven. Capaciteiten zijn in Europa belangrijker dan sekse, en eigenlijk altijd geweest. Misschien was de 19e eeuw (democratische besluitvorming heeft een zeer sterke haantjesfactor) daarop een uitzondering, maar de feministische golven in de 20e eeuw zijn daarop een passende en logische reactie geweest.

Wikipedia bood uitkomst in mijn zoektocht naar belangrijke historische vrouwen binnen de islam, maar de oogst was mager. Twee sultanes in de 13e eeuw (in Egypte en India) die maar kort regeerden. Verder vooral de focus op vrouwen die in de 20e eeuw islamitische landen hebben geregeerd. Die zijn er inderdaad, hoewel niet in de islamitische kern: het Midden-Oosten. Pakistan (Benazir Bhutto) ligt daarvan nog het dichtst bij het MO. Turkije heeft al sinds 75 jaar een seculiere benadering van het onderwijs, en dat dat effect begint te krijgen mocht worden verwacht. Maar dat is vooral zo in de grote steden. Indonesië, hoewel sterk en toenemend islamitisch, kun je niet bepaald als voorbeeld nemen. Allemaal redelijk ontwikkelde landen in de islamitische periferie. Kenmerkend van de dames in kwestie is een uitstekende opleiding. En daar lijken we de kern te raken.

In het Midden-Oosten is het niet gebruikelijk vrouwen toegang te geven tot een behoorlijke scholing. En dat is fnuikend. Een vergelijkbaar effect wordt veroorzaakt doordat vrouwen nauwelijks tot geen mogelijkheden hebben voldoende eigen bezit te verwerven om zich onafhankelijk te kunnen opstellen. En wie weinig of geen middelen van bestaan heeft, zal zich minder bekommeren om hogere doelstellingen.

Het probleem van de vrouwenemancipatie is een fundamenteel verschillend cultureel feit als je de westerse maatschappij vergelijkt met de islamitische. En hoewel er enige verbetering zichtbaar is, merkt de doorsnee vrouw in het Midden-Oosten daar niets van. Evenmin is er veel kans dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Want veel vaker dan we zelf beseffen, zijn historische wortels van eminent belang om te kunnen bepalen welke ontwikkelingen veel kans van slagen hebben.

De vrouwen die door hun mannen na 1980 naar het westen zijn gehaald zijn hiervan een uitstekende illustratie. Van de eerste generatie zijn voor zover ik weet weinig succesvolle Turkse, en geen Marokkaanse vrouwen bekend. De meisjes die die hier het onderwijs in gingen hebben het helemaal niet slecht gedaan met carrières. Typerend is, dat juist deze vrouwen het meest verwesterd en geïntegreerd zijn, al is dat niet iets wat ze zelf graag horen. Dat geldt zelfs voor een type als Fatima Elatik, die ondanks haar schreeuwerige belijden van de islam vooral grote gelijkenis vertoont met een ouderwets Amsterdams viswijf.

Je kunt weinig anders concluderen, dan dat in ieder geval van uit het oogpunt van de vrouw, de westerse cultuur wel degelijk superieur is aan de islamitische.

vrijdag 13 mei 2011

Symbolen



De politieke discussie van afgelopen weken draaide, bij ontstentenis van Nederlandse politici in actie (want die zijn op reces), voor een niet onbelangrijk deel om symbolen. Toch dekt het woord symboolpolitiek niet de lading van waar het om draaide. Eerder kun je stellen dat verschillende mensen en groeperingen de behoefte hadden zich te profileren tegen de manier van identificatie van anderen in. Negatieve symboolpolitiek, als u wilt. Vanzelfsprekend, juist symbolen zijn belangrijk als middel waaromheen mensen zich groeperen, want mensen zijn visueler ingesteld dan we graag zouden toegeven. Maar toch.

Prinsenvlag
Allereerst was daar de commotie rond het gebruik van de Prinsenvlag. Twee van deze vlaggen hingen achter ramen van medewerkers van de PVV-fractie in de Tweede Kamer. Nu bleekt het rood van een vlag sterker en eerder dan de andere kleuren, als die vlag lang achter het raam hangt. Maar dat bleek niet het geval. De Prinsenvlag is een oer-Nederlands symbool, dat stamt uit de beginjaren van de wordingsgeschiedenis van Nederland. Het moest de verbondenheid van Nederland (wit/blauw) met het Huis van Oranje-Nassau (oranje) verbeelden. Dit slaagde zo goed, dat de partij die zich binnen de Zeven Nederlanden juist niet verbonden wilden voelen met de Oranje-Nassaus, kans zagen het oranje in de vlag te laten vervangen door rood. In de jaren dertig werd de vlag herontdekt door de NSB.

Dat was voor de sensatiezoekers voldoende aanleiding het zoveelste schetterverhaal over de vermeende overeenkomsten tussen PVV en NSB de wereld in te gooien. Dit pathetisch noemen is een vriendelijk eufemisme. De kwaadaardigheid er van wordt nog het best geïllustreerd doordat met geen woord wordt gerept over het oorspronkelijk orangistische karakter van dit symbool, want een sterk orangistisch sentiment kun je de PVV niet aanwrijven. En over de monarchie is men bij de linkse partijen op het punt aangeland, dat men het instituut om opportunistische motieven steunt.

Koningin Maxima
Niettegenstaande die dubbelhartige steun voor de monarchie, werd door leden van diezelfde partijen de discussie over het al dan niet tot koningin verheffen van de vrouw van de toekomstige koning gestart. Dat men daarmee nu juist het belang van een erfelijke lijn in het koningschap onderstreept is een bizarre wending, die slechts door warrig denkende pseudo-republikeinen ten tafel kon worden gevoerd. Het argument over haar afkomst stinkt namelijk (evenals die afkomst overigens), ook omdat er tegen de persoon van Maxima dan weer geen enkel bezwaar bestaat.

Als Maxima geen koningin mag worden, zal dat het precedent zijn om alle toekomstige (hoeveel blijft een open vraag) monarchen te doen vergezellen door een pr-gemaal. Over theoretische staatkundige ontwikkelingen als welke situatie ontstaat bij het overlijden van monarchen zonder volwassen kinderen (prinses-regentes?!?) zullen we het dan zelfs maar niet hebben. Als het parlement geen bezwaren had tegen de wet die het huwelijk tussen WA en Maxima regelde, stemde zij daarmee impliciet automatisch in met een verheffing van Maxima tot koningin bij de volgende troonwisseling.

Dodenherdenking
En dan hadden we ook nog de onzinnige campagne van het Comité 4 en 5 mei, dat in haar TV-spotjes angstvallig de term Tweede Wereldoorlog vermeed, in haar angst de herdenking voor sommige nieuwe medelanders onacceptabel te maken. En de herdenking daarmee onacceptabel maakte voor een veel grotere groep Nederlanders, die er bovendien met meer recht een mening over zouden kunnen moeten geven. Nausicaa Marbe publiceerde er vandaag een vernietigende column over in de VK.

Symbolen zijn belangrijk. Maar minstens even belangrijk is dat men zich bewust is van hoe men ze hanteert. In alle hierboven genoemde voorbeelden heeft het rumoer dat ontstond tot gevolg gehad dat, in plaats van dat mensen de gewraakte symbolen minder of voorzichtiger zijn gaan gebruiken, het eerder een tegengesteld effect heeft gehad. Als dat de bedoeling was, is dat een geslepen spin om meer aandacht voor de eigen pre-occupaties te verwerven, maar van wie het goed meende was het juist uitgesproken dom. Wie niet wil dat ergens over gesproken wordt, moet vermijden er een debat over te starten.

maandag 9 mei 2011

Homo homini lupus



Ik heb er lang over gedaan, om me een beeld te vormen wat ik zelf nu eigenlijk vindt van ritueel slachten. Ik kan me zowel bij de voorstanders als tegenstanders van een verbod hun positie indenken, hoewel het me persoonlijk tamelijk koud laat. Het is een emotioneel debat, dat afwisselend met emotionele en semi-objectieve argumenten wordt gevoerd. Van beide zijden, en dat maakt het eigenlijk tot een Gordiaanse knoop. En wie bekend is met het verhaal van de Gordiaanse knoop, begrijpt dat de uitkomst van dit debat bij lange na niet iedereen tevreden zal stellen. En dat dat ook niet kan. De verliezers zullen zich gekwetst voelen in hun diepste overtuiging, en de winnaars zullen niet verder komen dan een ongemakkelijk gevoel van opluchting. Ongemakkelijk, omdat welk besluit ook genomen wordt, dit op termijn kwetsbaar is voor een verandering in de publieke opinie.

Enerzijds zijn er de joodse en islamitische geloven, die bepaalde rituelen voorschrijven voor de religieus acceptabele slacht van vlees. Diepgewortelde tradities. En diepgewortelde tradities van religieuze groeperingen laten zich niet veranderen door een nieuwe wet, door wie dan ook uitgevaardigd. In hoeverre verdoving van het te slachten dier het opperwezen al dan niet verschillig laat lijkt me een niet te bewijzen punt. Ten tijde van de eerste slachtvoorschriften van de betrokken religies was verdoving geen optie, omdat de techniek daartoe niet toereikend was. In dat verband zou je van de religieus betrokkenen kunnen eisen zich te verdiepen in de verworvenheden van de moderne techniek. Dat dat geen optie is die snel kan worden toegepast, wordt zoals altijd het best geïllustreerd door het klassieke verzet van de katholieke kerk tegen nieuwe wetenschappelijke kennis. Galileo Galileï, en zo.

De voorstanders van een verdoving voor de slacht stellen dat het er vooral om gaat, het lijden van het dier zoveel mogelijk te verminderen. De zieligheidsfactor die hierbij speelt, is ooit treffend getypeerd door Hugo Brandt Corstius in een vergelijkbaar debat over het lijden vissen aangedaan door sportvissers. Naar de geest geparafraseerd:

het leed kan de dierenvriend au fond niets schelen: het doet hèm pijn, als hij ziet hoe een vis bij zijn bek uit het water wordt gesleurd. (uit Vis Tragica, in Denk Na, Querido 1988)

Dit is in essentie waar het bij de discussie over al dan niet verdoofd slachten om gaat.

Mensen zijn tegenwoordig veel te beschaafd om nog hun eigen vlees te slachten. De smid hier even verderop slacht zijn eigen konijnen, wat ik een raar en ook wel naar idee vind. Ik herinner me nog mijn eigen afschuw, toen ik in een toen nog communistisch land een nog warme kip te plukken kreeg, waarvan het laatste stukje hals nog ietwat bloederig, zonder kop, aan het lijf bengelde. Ik kreeg het 's avonds niet door mijn keel. Een typisch geval van overbeschaving, want ik ben een enthousiast vleeseter, en verwacht dat te blijven.

Alles overdenkend kwam er echter een ander denkbeeld bij mij op. Naar ik mij herinner, was juist de grote aanjager van dit debat, de Partij voor de Dieren, nog niet zo lang geleden een groot tegenstander van het bijvoederen van dieren die dreigden te verhongeren in de Oostvaardersplassen. Dat was niet natuurlijk. Een sterk punt, voor wie een natuurlijke ecologie voorstaat, maar desalniettemin bekroop mij het gevoel dat juist in dat debat de posities diametraal gewijzigd waren. Van beide partijen, overigens. En inderdaad had de PvdD naar mijn idee een punt.

Resteert dus de vraag, hoe komt een dier gemeenlijk aan zijn einde in de vrije natuur? In een gezonde ecologische situatie is de voedselpiramide het leitmotiv. De dieren die nu worden gebruikt voor een rituele geslacht, zouden eigenlijk door wolven moeten worden verscheurd. Want dieren die niet aan de top van de voedselpiramide staan en van ouderdom sterven, zijn in de natuur extreem zeldzaam.

Gaat dat verscheuren pijnloos? Verdoofd? Natuurlijk niet. Het normale einde van een dier is in de volle natuur een stressvolle gebeurtenis. Ik zie niet in, waarom de rituele slacht, zoals door de verschillende geloven wordt uitgevoerd, wreder is dan het leven in de natuur. En dat het de dierenvrienden geestelijk pijn doet, dat moet dan maar. Ook dat, is het dagelijks leven.

maandag 2 mei 2011

Tussen wens en werkelijkheid



Osama bin Laden is dood. De Verenigde Staten hebben bijna tien jaar op hem gejaagd, en gisteren is de jacht met succes voltooid. In de Pakistaanse compound waar Bin Laden zich schuilhield is hij zondag gestorven met een Amerikaanse kogel in zijn schedel. De Amerikaanse president Obama maakte bekend, dat hij zich bij de inval van de Navy Seals had verzet, en in het er op volgende vuurgevecht om het leven was gekomen.

De symboolwaarde is enorm, niet in het minst omdat de Amerikanen al zo lang naar hem op zoek waren. De Robin Hood van het islamitische terrorisme was al lang niet meer de grote leider van de terroristenorganisatie Al Qaida, maar dat men hem maar niet te pakken wist te krijgen was onverteerbaar. Door deze actie heeft de VS in ieder geval duidelijk gemaakt, dat niemand aan haar lange arm kan ontkomen. Maar het is niet meer dan een kleine genoegdoening voor de schade die hij de VS heeft berokkend.


Is met de eliminatie van Osama bin Laden de wereld een betere plaats geworden? Natuurlijk niet. Het terrorisme van fundamentalistische islamieten zal mogelijk zelfs een tijdelijke opleving te zien geven, want dat vanuit deze kring wraak zal worden gezworen staat al vast. Op jihadistische internetfora wordt al dreigende taal geuit, en verwacht mag worden dat de westerse wereld een reeks nieuwe aanslagen te wachten staat. De mate waarin we kans zullen zien dat te voorkomen zal een maatstaf zijn voor de staat waarin de fundamentalistische gemeenschap zich bevindt.

Voor de westerse wereld zal een moment van heroriëntatie aanbreken. Osama bin Laden is lang de focus geweest van onze aandacht voor het islamitisch fundamentalisme. Iedere ons onwelgevallige gebeurtenis in de Arabische wereld, en sommige daarbuiten, is de afgelopen tien jaar verbonden met Al Qaida. Een directe terreurgolf zal nu nog kunnen worden toegeschreven als laatste stuiptrekking van Bin Ladens aanhangers, maar wie zich er in heeft verdiept weet, dat het probleem met de islamitische fundamentalisten veel dieper zit dan een terreurorganisatie. Hoe goed die ook is georganiseerd. De eliminatie van Osama bin Laden zal ons met de neus op dit pijnlijke feit drukken, omdat hij als excuus voor de haat die ons vanuit de islamitische wereld wordt toegedragen zal zijn verdwenen.

De gerechtvaardigde wenselijkheid van zijn dood, opent daarmee een venster op de ongewenste werkelijkheid van de manier van denken die in de islamitische wereld nog steeds terrein wint. Want de dood van Bin Laden zal op dat denken geen verminderend effect hebben.



Analoog tonen de eerste reacties van sommige politici het conflict tussen wenselijkheid en werkelijkheid.

Jolande Sap:

Met de dood van de leider van Al-Qa'ida is de strijd tegen terrorisme niet gewonnen, maar er is een belangrijke slag toegebracht. Het is spijtig dat Bin Laden nooit voor het gerecht komt om verantwoording af te leggen voor zijn daden.

Alexander Pechtold:
‘Van mij had hij zich mogen verantwoorden voor een internationaal gerechtshof.

Niettegenstaande de juridische correctheid zijn dit ondoordachte uitspraken.

In de eerste plaats zou een proces tegen Osama bin Laden juridisch nog niet zo makkelijk zijn, aangezien er weinig tot geen directe getuigen van zijn bemoeienis voorhanden zijn. Videoboodschappen zijn in dit verband geen overtuigend bewijs. Documentatie van Al Qaida-operaties? Niet voorhanden. In feite zijn alle bewijzen tegen hem indirect, en vooral gebaseerd op wat de Amerikaanse regering de afgelopen twintig jaar tegen hem heeft verzameld.

In de tweede plaats is een Obama in gevangenschap een voortdurende last voor het land dat hem gevangen houdt. Wie zich herinnert hoe de Taliban twee jaar geleden met een zelfmoordaanslag de poort van de belangrijkste gevangenis in Afghanistan opbliezen om zo een paar honderd belangrijke Talibanstrijders te bevrijden begrijpt waarom.

Ten derde zou een proces tegen Obama vele jaren duren, en publicitair van enorme betekenis zijn voor de fundamentalistische zaak. Laten we blij zijn, dat Obama zich niet een paar jaar geleden in Scheveningen heeft gemeld bij het Internationaal Strafhof. Hij heeft het zich niet gerealiseerd, of hij was niet bereid de persoonlijke consequenties te nemen, maar de fundamentalistische zaak was daar enorm bij gebaat geweest. Hoe de zaak tegen Milosovic zich ontwikkelde naar een debat tussen voor-en tegenstanders van de Servische leider toont hoe een dergelijk proces kan ontsporen in een tweestrijd in de maatschappij die meer begrip voor zijn gedachten kweekt dan wenselijk is.

Als laatste, en mijn inziens belangrijkste argument, moet ik de symboolwaarde van leiders in gevangenschap noemen. Meer dan een leider van een terreurorganisatie was Osama bin Laden een symbool. Een symbool, dat zich door zijn uitspraken en daden bereid had verklaard voor zijn daden te sterven. Wat gisteren gebeurd is, is niets anders dan wat hij verwacht moet hebben. Ook zijn volgelingen moeten dat beseft hebben. Een levende Osama was een focus geworden, waaraan zijn volgelingen bij voortduring lippendienst aan hadden willen bewijzen. Al was het alleen maar om de leider te tonen, dat men zijn zaak nog steeds diende.

Dat de Amerikanen bekend maakten dat het lichaam van Bin Laden in zee verdwenen is, is een verdere aanwijzing dat men zich grote moeite getroost om te voorkomen dat een bedevaartsoord met een soort heiligenverering ontstaat.

Veroveraars hebben er door de hele geschiedenis heen een axioma van gemaakt, om van verslagen leiders en vorsten geen martelaren te maken, of in ieder geval zo min mogelijk. Natuurlijk zijn daar uitzonderingen op geweest, maar die zijn degenen die die uitzonderingen hebben begaan maar zelden goed bekomen.

Naar analogie van wat Macchiavelli schreef over welke staten makkelijk te veroveren, maar moeilijk te behouden zijn, geldt vice versa dat charismatische leiders die door hun bestaan an sich een organisatie bij elkaar houden, bij leven een veel groter gevaar vormen dan dood. Hoe die dood ook tot stand gekomen is. De Amerikanen droegen Saddam Hoessein niet voor niets over aan zijn politieke tegenstanders, die hem direct executeerden. De uitzondering op het martelaarschap van verslagen leiders is als zij omkomen door de hand van hun eigen volk of volgelingen. Aangezien dat voor Osama bin Laden geen optie was, is zijn dood in een vuurgevecht, of iets wat als zodanig wordt gepresenteerd, onvermijdelijk de beste optie.