zondag 17 april 2011

De absolute waarheid



Er is in het ons bekende universum maar één keiharde waarheid: het absolute nulpunt, zoals gedefinieerd door de Britse natuurkundige Kelvin ( ± -273° Celsius). Bij 0 graden Kelvin beweegt er niets meer, alles staat stil.

De logische consequentie van bovenstaande constatering, is dat alle andere waarheden relatief zijn. Overdenkt u dit eens rustig.

Dit geldt in de historische en sociale wetenschappen in een nog veel sterkere mate. Waarheden bestaan eigenlijk niet, onze levensfilosifie is gebaseerd op een complex samenspel van aannames en schijnzekerheden. Een belangrijk element van de wijze waarop we de wereld beschouwen is ons talent ons af te sluiten voor onaangename feiten waarmee we worden geconfronteerd als deze niet passen in het paradigma waarmee we zijn grootgebracht. We gebruiken het woord ´menselijk´ om aan te geven dat we geen dieren zijn, terwijl tegelijkertijd zo goed als vaststaat dat we via een lange weg geëvolueerd zijn uit eencellige organismen die elkaar zonder enige morele overweging opslokken. We staan aan de top van de voedselketen, terwijl grote groepen mensen morele problemen hebben ontwikkeld met het eten van vlees. Onze beschaving is zover voortgeschreden, dat we niet langer willen weten dat we deel uitmaken van een natuur, die onbarmhartig is. Weinig mensen zijn tegenwoordig nog in staat vlees voor eigen gebruik te slachten. Niet alleen de noodzakelijke kennis ontbreekt vaak; we zouden het ook niet meer kunnen zonder van onszelf te walgen.

Op dezelfde wijze is ook een paradigma van de gelijkheid van culturen ons wereldbeeld binnen geslopen. Gelijkheid in de zin van gelijkwaardig. Daarom proberen wij andere culturen niet het gevoel te geven dat de onze superieur is. Maar ook gelijkwaardigheid is een relatief begrip. Juist door die gelijkwaardigheid te benadrukken, accentueren we de morele superioriteit van de westerse cultuur. Want geen enkele bestaande cultuur in de ons bekende wereld hecht zoveel belang aan wat moreel juist is, we hebben die moraliteit tot een absolute waarheid verheven. Dat gaat zo ver, dat we vinden dat het mensen met een van ons verschillende cultuur zo gemakkelijk mogelijk moet worden gemaakt als ze in onze maatschappij willen wortelen. In de woorden van raadsheer Tom Schalken:

Met name op het punt van "in het openbaar kwetsen" zal meer terughoudendheid moeten worden betracht. Dat heeft niks te maken met een revival van zedelijk paternalisme. Te veel abstinentie op allerlei fronten van overheidsoptreden, zoals bij softdrugs, leidde tot een grotere verloedering van het openbare domein. Ik ben dus niet bang voor terugkeer naar een preutse samenleving. Ook heeft dit een pragmatisch aspect. Mensen met een andere culturele achtergrond kunnen bij overschrijding van die grenzen makkelijk gaan denken dat alles mag.'

Kort gezegd, wij moeten meer rekening houden met anderen, dan met onszelf. Opdat hen onze verlichting deelachtig mag worden. Opmerkelijk is ook, dat hij daarbij pleit voor een sterkere overheid om onze moraliteit te versterken. Dat dit een innerlijke tegenstrijdigheid is, valt hem daarbij niet op.

Wetenschappers in de humaniora zijn zich er al langere tijd van bewust, dat theorieën die zaken verklaren vanuit een simpel perspectief, gedoemd zijn mankementen te vertonen bij consequente toepassing. In de extremen vertonen zich de meeste gebreken. Dat betekent dat er in de praktijk altijd zal moeten worden geschipperd met een theorie om hem werkend te krijgen, waarmee de theorie in feite is ontkracht. Ook in de maatschappij bestaan geen absolute waarheden. Nieuwe inzichten toevoegen is nuttig en functioneel, volledige nieuwe verklaringen van bekende feiten zijn kwetsbaar voor uitzonderingen die hen in de ogen van velen in diskrediet brengen. Waarmee we onvermijdelijk vervallen in een welles-nietes spelletje dat weinig zinvol is.

Absolute waarheden bestaan niet. Nieuwe inzichten die effect lijken te hebben worden te makkelijk verheven tot de nieuwe waarheid, met als pijnlijk gevolg dat we de neiging hebben ze tot in extremis te willen doorvoeren. de gevolgen daarvan zien we dagelijks om ons heen: de staatsschuld, die goed zou zijn voor de economie, de multiculturele samenleving, die zich heeft ontwikkelt tot een dictaat van nieuwkomers die tot in de uiterste consequenties moeten worden beschermd tegen kwetsing van hun culturele identiteit, de gedachte dat de overheid de ware vijand is, terwijl het vooral de uitvoerenden in dienst van die overheid zijn die onze vrijheid belemmeren, in naam van pogingen ons absolute bescherming te bieden tegen de gevaren van alledag.

Het gezond verstand is een ondergewaardeerde kwaliteit, juist omdat dit een houding van geven en nemen impliceert. Terwijl juist het streven naar absolute resultaten gevaarlijk is. Niet alleen omdat het een zinloze exercitie is, maar ook omdat het de kwaliteit van leven in het algemeen aantast.

zaterdag 9 april 2011

Beschermgeld



Een oude wijsheid zegt dat de eerste bandieten de overheid vormden, die de laatkomers direct brandmerkten als schurken.

Gisteren kwam uit Gouda het bericht dat de gemeente per direct haar samenwerking met een bureau, dat straatcoaches levert, opzegt:


Wat de straatcoaches opschreven in hun rapportages klopte niet met wat we hoorden uit andere bronnen, zoals de politie en de stadswachten. Bovendien werden de straatcoaches ‘door de beperkte beschikbaarheid niet vaak gezien en werd de signaalfunctie heel beperkt ingevuld. In een nota van B en W over de kwestie staat dat het ‘lastig blijkt om goed inzicht te krijgen in de dagelijkse activiteiten van de straatcoaches en goed op deze inzet te sturen. Ze bouwden onvoldoende contacten op met jongeren, bewoners en organisaties en verwezen te weinig jongeren en hun ouders naar hulpverleningsinstanties.


Gouda krijgt als een van de 22 Marokkanengemeenten per jaar 2 ton voor de inzet van de straatcoaches. Dat geld wil de gemeente nu gaan gebruiken voor het starten van een werkgelegenheidsproject waarbij lokale jongeren worden opgeleid tot ... beveiliger. Ja ja, voor bescherming dient betaald te worden.

Om de oude Romein Juvenalis te citeren: “Quis custodiet ipsos custodes?” - Wie zal de bewakers zelf bewaken?

vrijdag 8 april 2011

Falende democratie?



Een van de belangrijkste zaken die de gedachten van weldenkend Nederland de laatste jaren bezighoudt is het `falen van de democratie`. Dat hiermee in Nederland in de eerste plaats wordt bedoeld, dat het electoraat zich heeft afgekeerd van de systeempartijen PvdA en CDA is al een indicatie dat de invulling van de vraag wellicht mankementen vertoont. Navenant is het afgeven van gevestigde politici op populisten. Populisme is de essentiële corrigerende factor van een gezonde democratie, want het kan alleen gedijen als het electoraat zich door de zittende regenten als onvoldoende gehoord beschouwt.

Ik gebruik de term regenten in de bovenstaande zin niet per ongeluk of in een poging een tegenstelling te creëren tussen volksvertegenwoordiging en bestuur. Regentesk gedrag van bestuurders genereert namelijk populisme. Het is het excuus voor een rode lap die ontevredenen gebruiken voor hun aanvallen op de zittende macht. Maar ontevredenen zijn er altijd. Niet alleen is het onmogelijk iedereen tevreden te stellen, altijd zijn er ook die zich niet tevreden willen láten stellen. Bij vrijwel elke verkiezing doen er kleine splinterpartijtjes mee, die zo goed als altijd met een miniem aantal stemmen de vergetelheid tegemoet gaan. Als echter voldoende onvrede ontstaat om populisten een kans te geven, is de praktijk dat één partij als de focus van die onvrede functioneert, ongeacht de concurrentie van de gebruikelijke kansloze splinterpartijtjes.

Dat één partij die onvrede blijkt te kanaliseren is op zich al een signaal, dat het niet gaat om een algemene onvrede (hoezeer die ook een grote rol kan spelen), maar dat een breed gevoeld ongenoegen zich in één bedding perst. Er is dus sprake van een zeker groepsgedrag. Splinterpartijtjes zijn altijd een manifestatie van mensen die buiten het centrum van de macht zijn gevallen, soms zelfs buiten de maatschappij. De consequentie van een brede populistische beweging is dat een breed gevoeld ongenoegen aan de oppervlakte komt. Ongenoegen, dat geen uitweg wist te vinden via de geijkte kanalen van de gevestigde partijen. Binnen gevestigde partijen zijn carrièrekansen niet zelden belangrijker dan als specifiek gevoelde wensen van nieuwkomers.

Daar komt nog iets bij. Sociale mobiliteit binnen een maatschappij volgt een cyclisch patroon. Elites hebben de neiging zich af te sluiten voor nieuwkomers, en als die verstopping voldoende knellend wordt, moet een zekere vorm van revolutie die verstarring doorbreken. In een gezonde democratische samenleving gaat dat met horten en stoten, maar het zal geen waarachtige revolutie tot gevolg hebben. In het ideale geval zal het worden opgepakt door gevestigde groepen, die het elan ook ten eigen dienste zullen gebruiken om veranderingen te bewerkstelligen. De jaren zestig zijn een uitnemend voorbeeld van een dergelijke omwenteling binnen de Nederlandse politiek.

Uit de aard der zaak, geregeerd door het cyclische karakter dat ik al noemde, is het echter onvermijdelijk dat de verworvenheden van de omwenteling in een later stadium verworden tot knellende banden. Altijd ontstaat een nieuwe groep die zaken anders (beter!?) wil regelen, en altijd zal er aanleiding ontstaan tot een generatiestrijd, die ook een strijd om de macht is.

Een falende democratie wordt daarom niet gekenmerkt door het opkomen van populistische bewegingen en een proces van verzet tegen de heersende regenten. Integendeel. In een falende democratie wordt een dergelijke beweging van onderaf door regenten onderdrukt, en wordt een groep duurzaam uitgesloten van deelname aan het landsbestuur. Hoe groter de groep is die wordt buitengesloten, hoe groter het falen van de democratie is.

Falende democratie?



Een van de belangrijkste zaken die de gedachten van weldenkend Nederland de laatste jaren bezighoudt is het `falen van de democratie`. Dat hiermee in Nederland in de eerste plaats wordt bedoeld, dat het electoraat zich heeft afgekeerd van de systeempartijen PvdA en CDA is al een indicatie dat de invulling van de vraag wellicht mankementen vertoont. Navenant is het afgeven van gevestigde politici op populisten. Populisme is de essentiële corrigerende factor van een gezonde democratie, want het kan alleen gedijen als het electoraat zich door de zittende regenten als onvoldoende gehoord beschouwt.

Ik gebruik de term regenten in de bovenstaande zin niet per ongeluk of in een poging een tegenstelling te creëren tussen volksvertegenwoordiging en bestuur. Regentesk gedrag van bestuurders genereert namelijk populisme. Het is het excuus voor een rode lap die ontevredenen gebruiken voor hun aanvallen op de zittende macht. Maar ontevredenen zijn er altijd. Niet alleen is het onmogelijk iedereen tevreden te stellen, altijd zijn er ook die zich niet tevreden willen láten stellen. Bij vrijwel elke verkiezing doen er kleine splinterpartijtjes mee, die zo goed als altijd met een miniem aantal stemmen de vergetelheid tegemoet gaan. Als echter voldoende onvrede ontstaat om populisten een kans te geven, is de praktijk dat één partij als de focus van die onvrede functioneert, ongeacht de concurrentie van de gebruikelijke kansloze splinterpartijtjes.

Dat één partij die onvrede blijkt te kanaliseren is op zich al een signaal, dat het niet gaat om een algemene onvrede (hoezeer die ook een grote rol kan spelen), maar dat een breed gevoeld ongenoegen zich in één bedding perst. Er is dus sprake van een zeker groepsgedrag. Splinterpartijtjes zijn altijd een manifestatie van mensen die buiten het centrum van de macht zijn gevallen, soms zelfs buiten de maatschappij. De consequentie van een brede populistische beweging is dat een breed gevoeld ongenoegen aan de oppervlakte komt. Ongenoegen, dat geen uitweg wist te vinden via de geijkte kanalen van de gevestigde partijen. Binnen gevestigde partijen zijn carrièrekansen niet zelden belangrijker dan als specifiek gevoelde wensen van nieuwkomers.

Daar komt nog iets bij. Sociale mobiliteit binnen een maatschappij volgt een cyclisch patroon. Elites hebben de neiging zich af te sluiten voor nieuwkomers, en als die verstopping voldoende knellend wordt, moet een zekere vorm van revolutie die verstarring doorbreken. In een gezonde democratische samenleving gaat dat met horten en stoten, maar het zal geen waarachtige revolutie tot gevolg hebben. In het ideale geval zal het worden opgepakt door gevestigde groepen, die het elan ook ten eigen dienste zullen gebruiken om veranderingen te bewerkstelligen. De jaren zestig zijn een uitnemend voorbeeld van een dergelijke omwenteling binnen de Nederlandse politiek.

Uit de aard der zaak, geregeerd door het cyclische karakter dat ik al noemde, is het echter onvermijdelijk dat de verworvenheden van de omwenteling in een later stadium verworden tot knellende banden. Altijd ontstaat een nieuwe groep die zaken anders (beter!?) wil regelen, en altijd zal er aanleiding ontstaan tot een generatiestrijd, die ook een strijd om de macht is.

Een falende democratie wordt daarom niet gekenmerkt door het opkomen van populistische bewegingen en een proces van verzet tegen de heersende regenten. Integendeel. In een falende democratie wordt een dergelijke beweging van onderaf door regenten onderdrukt, en wordt een groep duurzaam uitgesloten van deelname aan het landsbestuur. Hoe groter de groep is die wordt buitengesloten, hoe groter het falen van de democratie is.

donderdag 31 maart 2011

Machtsovername



Met ingehouden adem zat half Nederland gisteravond voor de buis om te zien hoe het drama bij voetbalclub Ajax zich zou ontrollen. Clubicoon Johan Cruyff had de stormbal gehesen, en stond klaar om met zijn getrouwen het bastion van het bestuur-Coronel en consorten te bestormen. De inleidende beschietingen waren al een tijdje gaande, en gisteravond zou het moment suprême plaats moeten hebben. Cruyff c.s. waren vol zelfvertrouwen dat het bestuur zich naar hun eisen zou moeten voegen, want het had immers geen keus. Als het zich niet goedschiks voegde naar hun wensen, dan maar kwaadschiks middels het dwangmaatregel van de ledenraad.

Het ging er niet zachtzinnig aan toe. De notulen, die volgens Coronel door vijf man kunnen worden bevestigd, laten dat zien. Een aantal passages:

‘Waar halen jullie in godsnaam de moed vandaan om ons rapport te negeren? Het is slikken of wegwezen. (...) Deze directie beslist niets. Anders is het bonje. (...) Danny Blind is niet recht door zee, niet te vertrouwen en heeft overal gefaald. Hij moet meteen vertrekken (...) hoofd jeugdopleidingen Jan Olde Riekerink heeft geen vinger in de pap meer. Hij moet naar Almere of Ajax Cape Town. (…) de medische staf moet in zijn geheel worden ontslagen. (...) Iedereen die wij eruit willen hebben, moet meteen weg. Morgen om 8 uur afscheid nemen’ En als afsluiting de zin waardoor er voor Coronel een grens was overschreden: ‘Als Rik van den Boog en jij niet doen wat ik wil, gaan jullie allemaal kapot.’

Cruyff zei na afloop in een interview dat parlementaire taal niet zo zijn ding is. Moet kunnen in een gezonde verenigingscultuur, toch? Maar Ajax is niet langer een echte vereniging, het is een beursfonds. En het bestuur trok conclusies:
‘De manier waarop Cruijff en zijn mensen hun zin bij Ajax willen doorvoeren is voor ieder bestuur en elke raad van commissarissen onaanvaardbaar. Er is een grens bereikt in mijn persoonlijke leven en welzijn. Cruijff is niet zomaar iemand, wij kunnen die strijd niet aangaan.’

Deze laatste daad van bestuur en raad van commissarissen maakt de overwinning van Cruyff c.s. een Pyrrhus-overwinning. Politiek gezien briljant. Cruyff wil namelijk niet zelf aan het roer zitten, want dan wordt hij zelf aansprakelijk. Als geen ander beseft Cruyff dat de werkelijkheid weerbarstiger is dan beleidsplannen van wie dan ook, zelfs de zijne. Jarenlang werd er een klucht opgevoerd rond Johan Cruyff en zijn visie op hoe het verder moest met het Nederlands elftal, maar nooit vond de grote man dat er voldoende concessies waren gedaan om hem in alle rust Nederland wereldkampioen te kunnen laten maken. Dus kwam hij niet. En het etterde maar door, want Nederland is nooit wereldkampioen geworden. Het eindigde pas met de definitieve aankondiging dat hij nooit meer als trainer op het veld wilde, en daar hebben we heel lang op moeten wachten.

Cruyff en de zijnen moeten het nu gaan bewijzen, want er is geen weg terug. Dat zal ze niet meevallen.

zaterdag 12 maart 2011

Regeerbaarheid I



De zuigkracht van de euro, als gevolg van de falende begrotingsdiscipline in de zuidelijke lidstaten van de EU, hebben als bij-effect dat de lidstaten in toenemende mate hun beslissingsbevoegdheid op essentiële soevereiniteitspunten uit handen gaan geven. De Superstaat Europa komt zo sneller dichterbij dan iemand zich een paar jaar geleden had kunnen voorstellen. Theoretisch maakt het de unie sterker doordat het niet langer een samenraapsel van staten met verschillende belangen zal zijn, maar een federatie met een centraal economisch bestuur. Aldus de theorie.

Die theorie veronderstelt dat een grotere politieke eenheid ook meer slagkracht geeft. Dat moet worden betwijfeld. De EU heeft een punt bereikt waarop we ons moeten afvragen, of zij niet zo groot wordt, dat regeerbaarheid een onmogelijkheid wordt. De meest succesvolle staten van extreme omvang zijn historisch gezien verklaarbaar door bijzondere factoren die hun bestaan faciliteerden. Als die omstandigheden zich in hun nadeel wijzigden, gingen zij niet zelden snel ten onder, of zakten onder hun eigen gewicht langzaam in elkaar.

Het ontstaan van grote rijken heeft vaak maar niet altijd een simpele militaire verklaring: een stam of aanvoerder zag kans door superieure wapens of organisatie een groot gebied aan zich te onderwerpen. De grenzen van die rijken en hun veroveringsdrang werden meestal bepaald door geografische barrières, oninteressant achterland of logistieke en capaciteitsproblemen. Daarmee zijn van veel van die rijken de eerste vijftig jaar van hun bestaan eenvoudig te verklaren. Het Chinese keizerrijk is in veel opzichten een uitzondering, hoewel we niet mogen vergeten dat het historisch gezien tot aan de verovering door de Mongolen eerder een opeenvolging van een aantal rijken was, dan één doorlopend staatkundig verband.

De volgende fase in het bestaan van een groot rijk was de bestuurlijke organisatie. Staten die dit probleem niet wisten op te lossen vielen heel snel uit elkaar Ze maakten onderworpen staten schatplichtig, in verschillende varianten van onderhorigheid. Dat loste onder andere een capaciteitsprobleem op (mensen!), en ontsloeg hen van de noodzaak ter plekke een bestuurlijke organisatie op te bouwen. De vorst controleerde via afgezanten. De kracht van de vorst en zijn basis waren essentieel voor het bestendigen van het rijk. Voorbeelden: Timoer Lenk, Assyrische Rijk.

Een betere oplossing was het vestigen van een beperkte bestuurlijke organisatie die de veroverde gebieden nog steeds een grote mate van autonomie bood. Op deze wijze wisten de Perzen hun extreem grote, heterogene rijk bij elkaar te houden, en de ondergang door de hand van Alexander de Grote was meer te wijten aan een militair probleem dan aan een organisatorisch falen, al suggereert Machiavelli in Il Principe anders. Het Alexanderrijk bewees dat door binnen 30 jaar na zijn dood uit elkaar te vallen in een aantal staten die door hun kleinere omvang en homogener culturele basis wel levensvatbaar waren. Andere voorbeelden van dergelijke staten zijn het Mogol-rijk in India en het wereldrijk van Dzjengis Khan.

De Romeinen pakten de zaak het beste aan. De onderworpen gebieden werden ingedeeld in provincies, die onder het bewind van een kleine provinciale staf werd geplaatst, met daaronder ook een rol voor de oorspronkelijke elite van de onderworpenen. Dit systeem werd in feite ook toegepast in Nederlands Indië en door de Engelsen in India, die het van de Mogols erfden. Deze systemen verschilden van hun feodale voorgangers doordat het bestuur leiding werd toevertrouwd aan een roulerende ambtenarenkaste. Deze systemen waren zeer succesvol zo lang ze niet te groot werden.

Een specifieke omstandigheid die grote staten vaak fataal werd, was het bureaucratische gewicht van het bestuur. En eigenaardigheid van langer bestaande staten, is dat de hoeveelheid wetten en regeltjes steeds verder toeneemt. Dat deze gelden voor het hele rijk is een extra handicap als cultuur en omstandigheden grote lokale verschillen kennen.Niet alleen wordt dit proces door de onderdanen zelden toegejuicht, het bevordert ook de groei van een bureaucratie. En een groeiende bureaucratie is op termijn fnuikend voor het voortbestaan van een staat.

dinsdag 8 maart 2011

Internationale vrouwendag





Vandaag, 8 maart, is het Internationale Vrouwendag. Van de hoofdredactrice van Opzij begreep ik via Twitter, dat deze nu al weer honderd jaar op deze dag valt. Opzij heeft middels een enquete onder haar lezeressen een lijstje gemaakt met de 100 meest inspirerende Nederlandse vrouwen, en op nummer 1 eindigde – Moeder. En dat, terwijl in het blad Moederdag traditioneel wordt verketterd.

Hoezeer ik dat ook een ontroerend statement vind, het lijkt me geen goed teken. Als vrouwen het belang van gelijke rechten en de inspiratie daartoe vooral ontlenen aan het voorbeeld van hun moeders, was er voor die strijd al lang geen reden meer geweest, of het is een hopeloos gevecht. Het navolgen van Moeder komt in zekere zin neer op het handhaven van de status quo. Dat kan een keuze zijn natuurlijk, en keuzes zijn er om gerespecteerd te worden. Maar het lijkt me niet wat Opzij nastreeft, en de navolging van Moeder lijkt me weinig ambitieus.

Dat Opzij Joke Smit en Aletta Jacobs op 2 en 3 heeft staan stelt me dan weer gerust; het zijn vrouwen die terecht een grote voorbeeldrol in het feminisme hebben. Maar van de lezeressen van Opzij zou je toch verwachten dat ze in de eerste plaats kijken naar het vrouw-zijn van degenen die zij noemen. Dat Madonna op de lijst staat lijkt me uitstekend verdedigbaar, Femke Halsema al veel minder. De laatste praatte wel veel over de belangen van vrouwen, maar was als persoon nou niet bepaald een exponent van iemand die tegen de bierkaai boven kwam drijven.

Wat ik dan veel minder goed begrijp, is het ontbreken van koningin Beatrix. Zeker, haar positie is in de eerste plaats een gevolg van geboorte, en de bezwaren daartegen zijn zeker gerechtvaardigd. Maar dat doet natuurlijk niets af aan het feit, dat ze in Nederland een van de meest dominante en invloedrijke vrouwen is. Een schoolvoorbeeld van iemand die haar positie optimaal weet uit te buiten, en beslist capabel. Maar de lezeressen van Opzij wensten haar niet in overweging te nemen.

Stiekem krijg je de indruk, dat de lijst een sterke politieke inslag heeft. Dat kun je de redactie van Opzij niet speciaal verwijten (hoewel het blad zich wel degelijk richt op een specifieke groep lezeressen), maar het stelt teleur dat degenen die reageerden gemiddeld genomen zo’n smal blikveld hebben.

Als de lijst de stand van zaken in het hedendaagse feminisme weer geeft, ga je begrijpen waarom er nu wordt gepleit voor vrouwenquota en waar de eeuwige klacht over het Glazen Plafond vandaan komt. Vrouwen die zelf voldoende capabel zijn, hebben zich er al lang van losgemaakt en banen zich op eigen kracht een weg. Een beter bewijs, dat de vrouwenstrijd in essentie gestreden is, bestaat niet.