zondag 14 augustus 2011

Privacy-notitie naar aanleiding van de rellen in de UK



Meest opvallend bij de rellen in Londen en de rest van de UK, was de manier waarop de overheid reageerde.

In eerste instantie hield de centrale overheid zich veel te lang afzijdig. Maar toen zij zich er eenmaal mee bemoeien ging, ging men er ook gelijk hard tegenaan. Premier Cameron sprak over de mogelijkheid het leger in te zetten tegen plunderaars in wijken waar de politie er niet in zou slagen de overhand te krijgen.

Toen de politie eenmaal weer greep op de zaak leek te krijgen, kwam een volgende stap die nogal schokkend was. Cameron zei letterlijk, dat Human Rights wat betreft privacy-wetgeving en dergelijke hem niet konden schelen, en dat elk van de plunderaars die ergens herkenbaar in beeld kwam ook op internet zou worden gezet tot dat arrestatie en identificatie waren voltooid. Ook de herkomst van de beelden zou niet al te zwaar worden nagetrokken.

Op zich, een prima zaak. Wat het gemakkelijker maakte is dat de UK geen grondwet kent, zoals de meeste West-Europese staten. Desalniettemin, het gemak waarmee dit werd aangekondigd, zelfs voor er in het parlement over gesproken was, doet ietwat ongemakkelijk aan.

Het maakt duidelijk dat er een discussie moet komen, in welke gevallen privacy moet prevaleren boven staatsbelangen, en in welke gevallen het algemeen belang zodanig wordt bedreigd dat de rechten van het individu er voor moeten wijken.

In gevallen van gewelddadigheden als die van afgelopen week, zijn er maar weinig mensen die vinden dat de privacywetgeving belangrijker zou moeten zijn dan de kans op bestraffing, en mijns inziens terecht. Wie denkt onder te kunnen duiken in een massa om zich onbekommerd te kunnen uitleven ten koste van rustig levende mensen, moet snel uit de droom worden geholpen.

Evenzeer vind ik in dat verband, dat privacywetgeving in sterk verminderde mate zou moeten gelden voor daders van roofovervallen en dergelijke geweldsdelicten. Een rel zoals twee weken terug ontstond, omdat het Nederlandse College Bescherming Persoonsgegevens aankondigde kleine winkeliers, die proberen via internet te achterhalen wie hen kort daarvoor hebben beroofd, te gaan beboeten met werkelijk draconische bedragen, staat in schril contrast met de werkelijkheid van Londen vorige week.

De Wetgeving op dit terrein behoeft daarom aanpassing. Eerder nog dan het klakkeloos beschermen van het principe van het recht op privacy, dient eigenlijk de vraag te worden gesteld tegen wie de privacy van mensen het meest dient te worden beschermd. Eigenlijk zijn daartoe drie groepen te onderscheiden:

1) Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke
2) De overheid
3) Het grootschalige bedrijfsleven

Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke spreken eigenlijk voor zich, maar moeten vooral bestreden worden in de sfeer en op het niveau van de wijkagent. Normaal gesproken moet dat voldoende zijn, en uitgebreide bevoegdheden zijn hiertoe eigenlijk niet noodzakelijk. Een volgend niveau, de rechter, biedt verder voldoende bescherming. Een algemeen verbod in andermans zaken te neuzen lijkt me over het algemeen voldoende.

De overheid is van een ander niveau, en heeft ook veel meer mogelijkheden zich te diep en te uitgebreid van informatie over haar burgers te voorzien. Niet zelden gebeurt dat nu al, en het is heel lastig je daar tegen te verweren. Dat de overheid aan strenge privacy-wetgeving wordt onderworpen lijkt me daarom logisch, niet in het minst, omdat zij het moeilijkst aan te pakken is indien er problemen ontstaan. Instanties die het moeilijkst te controleren zijn, moet je de scherpste regels opleggen.

Het grootschalige bedrijfsleven is van de drie bovengenoemde de groep waar het meest moeizaam een vinger achter te krijgen is. Tegelijkertijd is het de groep die de privacy van de burger het meest bedreigt. Bedrijven hebben zeer veel belang bij kennis van hun potentiële klanten, en doen er dan ook alles aan om dergelijke gegevens te bemachtigen.

Wie bij AH gaat winkelen, en gebruik wil maken van de kortingen waarmee het bedrijf zo uitbundig adverteert, zal zich eerst een 'kortingskaart' dienen aan te schaffen - anders geen korting. Dat men het bedrijf middels die kaart onbeperkt toestemming geeft alle met de kaart gedane activiteiten te monitoren, waarmee ook verbonden is de woonsituatie en alles wat daar aan vast zit, beseft niet iedereen. Het is niet mogelijk de kaart te verkrijgen zonder deze toestemming te verlenen. Maar dit is geheel legaal, en veel bedrijven hebben zich langs juridische weg sinds lang verzekerd van de onaantastbaarheid van hun aanpak om de privacy van veel mensen langdurig en consequent te schenden.

Ik ben zelf niet zo'n voorstander van een al te grote sociale controle, maar toch kan ik er niet onderuit dat die bij veel mensen een nuttige functie heeft. Mits met mate mogelijk.

Ook vind ik het lastig om een precieze scheiding tussen grootschalige en minder grootschalige bedrijven te definiëren. Vooral de schaal van werken lijkt me bepalend voor wat acceptabel is. Mijn instinct zegt me dat bedrijven of bedrijfsafdelingen die zich specifiek met deze informatieverzameling bezighouden onder privacywetgeving dienen te vallen, maar in hoeverre dat zou moeten worden uitgebreid vraag ik me sterk af.

Dat de politie in de UK op dit moment overuren maakt om de relschoppers te identificeren en te arresteren voelt voor mij niet als een probleem. Dat heeft echter ook te maken met het onloochenbaar vandalistische karakter van deze rellen. Bij rellen bij uit de hand gelopen politieke demonstraties begint een grijs gebied. Niet, dat relschoppers in die situatie meer rechten zouden hebben. Wèl, dat met de beelden van bewaking en ordediensten zorgvuldiger moet worden omgegaan. Niet zelden blijken beelden van vreedzaam verlopen demonstraties nog jaren in archieven te liggen. Dat gaat veel te ver.

De afwikkeling van de rellen in de UK maakt deze discussie actueel, nu de theorie van de Nederlandse regeling tot nog toe in botsing lijkt te komen met de praktijk van de grootstedelijke maatschappij op Europees niveau. Dat het Nederlandse CPB met een ongelukkig uitgangspunt de zaken probeert te regelen, maakt een debat hierover des te dringender.

vrijdag 29 juli 2011

Orde & Chaos



Weet u wat een optimist kenmerkt? De hoop op het best denkbare. In schril contrast daarmee gaat de pessimist uit van het minimale resultaat. Welke van beide benaderingen een mens het gelukkigst maakt blijft een open vraag. Vast staat echter, dat de houding van de optimist een ingebakken garantie op teleurstellingen bevat, terwijl een pessimist niet zelden blij verrast zal zijn.

Een dergelijke Yin/Yang-verwevenheid geldt ook voor de begrippen Orde en Chaos (ook wel: Energie & Entropie). Naarmate zaken meer en gedetailleerder georganiseerd worden, neemt de interne chaos toe. Juist chaotische toestanden met weinig regels daarentegen zijn een wonder van helderheid voor de deelnemers aan die toestanden. Weinig regels zorgen voor extreme helderheid van wat is toegestaan, en waar sancties op staan.

Als we bovenstaande gedachten toepassen op de manier waarop de rechtsstaat is georganiseerd, zal u duidelijk worden waar de schoen van veel regelingen in de dagelijkse praktijk wringt. Naarmate regelingen specifieker en gedetailleerder zijn, wordt de kans op conflicten met andere gedetailleerde regelingen groter.

Nu is de essentie van specifieke regelingen, dat de overheid probeert greep te krijgen op bepaalde processen, en door ingrijpen sturend wil optreden. Dit is een algemene waarheid, die reeds lang voordat het begrip 'maakbare samenleving' werd geïntroduceerd geldig was. Dat dit in veel gevallen onverwachte gevolgen heeft op andere terreinen, is kenmerkend voor de manier waarop dit proces op hoger niveau effect heeft.

Vaak worden in een democratie als de onze de plaats van de uiteindelijke piketpaaltjes vastgelegd door gerechtelijke uitspraken, die moeten afbakenen waar de geldigheid van de oude regeling zal worden begrensd door nieuwe regelingen die zijn ingesteld om een matigend effect te bereiken. Dat dit voor kleinere zaken onvermijdelijk is lijkt me onontkoombaar, maar uit de aard van het hierboven geschetste zou het beter zijn als veel oude wetgeving, tegelijkertijd met de instelling van nieuwe modificaties, zou worden ingetrokken.

Zou. Want juist doordat er sinds de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 een lappendeken van wetten, regelingen en dies meer zij is ontstaan, is het intrekken van een wet geen sinecure. Het tornen aan die lappendeken bedreigt de structuur.

De Europese Unie is in dat verband een pronkstuk van ellende, omdat in haar regelgeving zij veelal voort bouwt op de resultaten van allerhande wetgeving van de lidstaten. De gevolgen van allerhande hoogstaande principes, die in de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in Straatsburg doorwerken, zijn een ander voorbeeld van een steeds onwerkbaarder worden van de regelgeving. Dat de gemiddelde Europeaan zich er niet mee verbonden voelt, en hoogstens geïrriteerd reageert op de verstoring van zijn leven van alledag, is een demonstratie van de chaos die een gevolg is van te gedetailleerde regelgeving.

Een ander voorbeeld van te gedetailleerde regelgeving zien we terug bij de onderzoeken na een ramp die veel aandacht krijgt. Plotsklaps blijken bedrijven, mensen of instanties zich jarenlang met een Jantje-van-Leiden te hebben afgemaakt van allerhande regelingen (die hen anders het werken onmogelijk hadden gemaakt), en wordt hen daarvoor de rekening gepresenteerd. De selectieve manier van werken die dit tot gevolg heeft (zowel bij overheid als gecontroleerden) demonstreert overtuigend, dat hoe goed ook bedoeld, veel regelingen door de rijkheid aan details en uitzonderingen het doel voorbij schieten. Uiteindelijk is er namelijk altijd iets te vinden waarop tegen de regels is gezondigd, zodat een bedrijf dat schade veroorzaakt zwaar kan worden aangepakt.

Als dit laatste de onvermijdelijke uitkomst is, kan het veel eenvoudiger worden opgelost, domweg door bedrijven aansprakelijk te maken voor de schade die ontstaat, waarbij het al dan niet schuldig zijn aan zondigen tegen specifieke regels als niet-relevant terzijde kan worden geschoven.

Resteert ons rechtvaardigheidsgevoel. We willen graag, dat alles zo netjes mogelijk wordt opgelost. En als dat niet kan, zal toch tenminste iemand schuldig moeten worden bevonden aan zaken die mis gegaan zijn. Wie bovenstaand betoog op zich in laat werken, moet gaandeweg gaan beseffen dat het niet mogelijk is dat rechtvaardigheidsgevoel zoals we dat thans koesteren altijd te bevredigen.

De neiging, alles in zo gedetailleerd mogelijke regels te vangen, is een vorm van onzekerheid waarvoor geen panacee bestaat. Wie dat beseft is al een grote stap verder. In een gezonde maatschappij heerst een evenwicht tussen orde en chaos, en op dit moment is het evenwicht gevaarlijk ver verschoven naar de geordende rigiditeit, die een recept voor chaos is.

dinsdag 26 juli 2011

Verloren onschuld



Het zal in het late voorjaar van 1990 zijn geweest, dat ik op een lezingenmiddag van de Amsterdam Summer University terecht kwam. Het onderwerp van de dag was homosexualiteit, en ik verdwaalde daar met een gezelschap via een schoonfamiliale connectie, waarvan iemand een der sprekers was.

De strekking van de lezing van mijn kennis ligt me niet meer bij, iets wat veel toehoorders ter plekke al overkwam, maar de lezing die een docente van de Summer University gaf des te meer. "Lesbian Ethics" was het onderwerp, een veelbelovende titel. Ik werd niet teleurgesteld.

Het onderwerp lag de docente duidelijk na aan het hart. Niet alleen had ze er over gepubliceerd; dat ze zich er ook persoonlijk bij betrokken voelde was onmiskenbaar. Teneur was dat lesbiennes anders met elkaar omgingen dan hetero's.

Daar moest ik wel enigszins om grinniken; twee weken daarvoor had ik in het studentencafé waar ik als portier werkte een gevecht tussen twee dames moeten beëindigen die vochten om een vriendin, die lichtelijk verveeld de uitslag van het gevecht afwachtte alvorens haar gunsten te verlenen. Deze dames deden het inderdaad heel anders dan wat ik van vechtende vrouwen gewend was. Vrouwen die onderling in fysiek gevecht verwikkeld raken vallen elkaar meestal aan met hun nagels, om niet zelden te eindigen in een patstelling, met hun handen stevig gewikkeld in elkaars haardos. Voor niet-betrokken toeschouwers kan dit hilarische taferelen opleveren, maar echt leuk is het niet. De lesbiennes uit mijn kroeg sloegen met de blote vuist op elkaar in, en de verliezer moest ik helpen met haar blauwe oog.

Bovenstaande anecdote ging natuurlijk in tegen de gedachte die de docente verkondigde, maar als je je in dat soort zaken aan casuïstiek schuldig gaat maken blijf je aan de gang. Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig wat haar onderzoek had opgeleverd. Dat viel niet mee, want het bleek niet zozeer om een kwantitatieve maar een kwalitatieve analyse te gaan. In het kort: een theorie gebaseerd op een gedachte, met vrij selectieve ondersteuning. Dat werd me te gortig, en ik besloot bij de gelegenheid tot vragen na afloop een duit in het zakje te doen.

Hoe doe je zoiets? Je stelt eerst twee domme geïnteresseerde vragen (enthousiast bevestigend beantwoord), om zeker te zijn dat het zo bedoeld was als het klonk, om af te sluiten met de derde vraag: "Dus, ... eh .., als ik het goed begrijp, zijn lesbiennes eigenlijk betere mensen?"

Dat was natuurlijk niet aardig, maar wel volstrekt dodelijk. Hoe pijnlijk de denkfout in de formulering van het basisprincipe was, was ook de zaal helder.

Aan bovenstaande moet ik vaak denken, als ik in de reacties onder een willekeurig stuk mensen met het argument zie komen, dat de 'linksen' toen en toen zich toch zo vreselijk misdragen hebben, in een poging hun eigen gelijk te versterken door anderen moreel onderuit te schoffelen. Zelf maak ik de kracht van mijn argumenten niet graag afhankelijk van het morele handelen van anderen, want het is eerder een zwaktebod dan een versterking van wat je betogen wilt. Bovendien maak je je ontzettend kwetsbaar, want als iemand uit 'eigen' kring zwaar over de schreef gaat, haalt dat je eigen argumenten met terugwerkende kracht onderuit.

De mensen die zich van dit type argumenten bedienden zullen we de komende tijd niet meer horen. Ze hebben vorige week hun onschuld verloren. De moordpartij in Noorwegen heeft voor langere tijd een einde gemaakt aan de basis van morele zelfingenomenheid waarmee dit soort argumenten gewoonlijk wordt gehanteerd, en dat is een klein positief punt. De Pavlov-reacties die op dit moment op sites van de politiek tegengestelde zijde los zijn gemaakt, zijn natuurlijk van hetzelfde laken een pak. Maar op dit moment kan ik niet anders dan ze beschouwen als een gevoel van opluchting, dat men het ongemak dat men erover hoe dan ook moet hebben ervaren, achter zich kan laten. Want al vallen de aantallen in het niet bij wat een Pol Pot heeft aangericht, de gedachtenpatronen in de denkwereld van Anders Breivik lijken sterke overeenkomsten te hebben met die van deze psychopathische moordenaar.

Het valt in ieder geval te hopen dat mensen die deze manier van debatteren tot hun handelsmerk hebben gemaakt, zich de komende tijd wat stiller zullen houden. Wat zou helpen, is dat opiniemakers van beide zijden van het politieke spectrum dit eens helder zouden uitspreken, en er van tijd tot tijd nog eens op terugkomen. Moreel geschreeuw is in een debat eerder verstikkend dan verhelderend.

maandag 11 juli 2011

Het zwart-wit van populisten



De gevestigde politieke elite heeft een nieuw etiket gevonden voor wat haar niet welgevallig is: populisme. Het is een woord dat al wat langer in een kwade reuk stond, al werd dat nooit exact gedetailleerd gedefinieerd. Dat is het nog steeds niet, maar het klinkt goed als bezwaar, en het heeft het bijkomende voordeel dat men er niet alleen de PVV mee aan valt (galant geaccepteerd overigens), maar ook de SP. Maar waar denken de politici die laatdunkend spreken over 'populisten' nu eigenlijk aan? Het verwijt dat men probeert te verwoorden betreft in de eerste plaats, dat SP en PVV zich tamelijk ongenuanceerd uitlaten. Dat is op zich correct, maar in hoeverre is dat eigenlijk bezwaarlijk? Wat is populisme, en wat zijn de bezwaren?

Om met dat laatste te beginnen: men vindt dat populisten inspelen op onderbuikgevoelens. Dat dat alleen gedaan kan worden door te weten wat het electoraat werkelijk denkt, in plaats van zegt te denken, laat men liever buiten beschouwing. Wie vindt dat deze onderbuikgevoelens geen rol mogen spelen in de politiek, wijst de facto de democratie af.

Grote gevestigde partijen plegen zich na een verkiezingsnederlaag te herbezinnen op hun programma's. Men probeert, kort gezegd, de beleden partijprincipes in een meer aan het tijdsmoment aangepaste populistische vorm te gieten, teneinde bij volgende verkiezingen beter voor den dag te komen. Een gevolg van electoraal succes, ongeacht of dit werd gerealiseerd door traditionele 'principe'-partijen of door populistische nieuwkomers, is dat het ten dele wordt gekopieerd. Verhakseld en gemengd met de traditionele partijprincipes, en vervolgens overgoten met een eigen sausje wordt het dan bij de eerstkomende verkiezingen weer aan de kiezer voorgezet.

Nieuwe partijen
Ook moet opgemerkt worden, dat een kenmerk van nieuwe partijen is dat zij populistisch MOETEN zijn, aangezien ze anders vanuit het perspectief van het electoraat niet interessant zijn. Zij brengen iets nieuws, dat gevestigde partijen om verschillende redenen nooit hebben op gepakt. Daarvoor zijn meestal goede redenen, die gelijk opgaan met de afkeer van 'populisme' door bestaande partijen. Immers, met het alternatief, mensen die zich verkiesbaar stellen als persoonlijk van hogere kwaliteit, win je in Nederland geen zetels, en zeker geen verkiezingen.

Maar vooral is het betitelen van politieke tegenstanders als 'populisten' onderdeel van de wanhopige strijd om de kiezer, alsook een gevolg van de miskenning van de politieke situatie van dit moment door de meeste partijen. Daardoor blijken ze niet in staat hun programma op orde te krijgen, of ze willen dat niet, zoals geldt voor de PvdA. Om deze laatste als meest pregnante voorbeeld te gebruiken: zij is een samenraapsel van carrièrejagers die op vele onderling vaak strijdige vlakken de wereld beter willen maken. Dat de kiezer daar geen chocola van kan maken zou weinigen mogen verwonderen.

Wat de politici van de gevestigde partijen bedoelen, is dat de ongenuanceerde toon van zowel SP als PVV hen niet aan staat. Te direct, te concreet, en niet gemaskeerd door vriendelijke woorden. Dit weekend (9/10 juli2011) stond in de weekend-bijlage van het Financieel Dagblad een interview met Paul Frissen, decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, een kopstudie voor toekomstige topambtenaren. En wat zei deze man, die het toekomstig pad van onze bestuurlijke elite moet verlichten?


...ressentimenten en misplaatste opvattingen over leiderschap die zich uiten in machogedrag zijn contraproductief. Zij ondermijnen de steun voor noodzakelijke hervormingen. Het gaat om pijnlijke operaties, waarbij meer compassie van de politiek verantwoordelijken op zijn plaats zou zijn. Van politieke bestuurders mag een gematigder woordkeus en meer zelfbeheersing worden verwacht. (...) De schrille toonzetting leidt tot verharding, waarbij racisme, discriminatie en uitsluiting van mensen aan de oppervlakte komen. (...) Zwart-wit denken brengt ons niet verder.

Frissen wil dat het zachtjes wordt gebracht, met compassie. Zwart-witte uitspraken moeten worden vermeden. Ongelukkig genoeg verandert de boodschap niet door het subtiel te brengen. Hoogstens verliezen minder hoog opgeleiden het overzicht, en komen op een bepaald moment tot het inzicht dat hen iets is verkocht dat hen niet voldoende duidelijk was toen het hen subtiel werd gepresenteerd. Maar dan hadden ze natuurlijk maar beter tussen de regels door hebben moeten leren lezen.

De gevestigde bestuurlijke elite houdt niet van duidelijkheid. Daar geeft men jaar na jaar ook uiting aan. In die zin is het niet eens onbegrijpelijk dat ze het hebben over 'tokkies', als het gaat om de mensen die liever kiezen voor de duidelijke taal van de 'populisten'. Alsof bedekt geformuleerde beleidswensen werkelijk anders uit zouden pakken dan helder gekozen woorden om uitdrukking te geven aan politieke wensen.

Wie het woord populist gebruikt om een politieke tegenstander weg te zetten, laat zich lelijk in de kaart kijken.

vrijdag 1 juli 2011

Libië en Soedan



Bij het oplichten van ieder nieuw tipje van de sluier die over de Libische kwestie ligt, wordt duidelijker dat de Westerse interventie via de NATO een onbezonnen daad was, ingegeven door de ongefundeerde hoop dat de 'Arabische Lente' en democratische beweging was, in plaats van de opstandigheid van bevolkingen die hun steeds moeilijker wordende leefomstandigheden aan hun regeringen verweten. De koehandel in de Veiligheidsraad, die volgde op het Westerse voornemen in te grijpen ten bate van de rebellen in oostelijk Libië, bezegelde het onzalige karakter van wat steeds meer het karakter van een Vietnamees moeras begint te krijgen.

De diepere oorzaak van de Libische kwestie gaat terug op de koloniale tijd, toen Italië het Turkse rijk twee van haar provincies in Noord-Afrika afhandig maakte, en die verenigde tot de Italiaanse kolonie Libië. Na de dekolonisatie bleef die grens liggen zoals de Europeanen die getrokken hadden, in een land, waar men zich in de eerste plaats identificeerde met de eigen stam, in plaats van met de natie Libië. Het is een probleem dat je door geheel Afrika heen aantreft, maar dat over het algemeen pas zichtbaar wordt als binnen dergelijke amalgaamstaten regeringswisselingen plaats moeten vinden. Machtsdeling is binnen Afrika een woord dat pas laat werd geïmporteerd, en waarvan de betekenis nooit voldoende is doorgedrongen om het werkbaar te gebruiken.

Failed states
De vorming van de staten zoals die plaats vond rond 1960 was in feite een onnatuurlijke ontwikkeling. Wie de geschiedenis van veel grote rijken bekijkt, ziet een evolutie van kleinere eenheden die langzaam tot een groter geheel aaneengesmeed worden. Dit geldt niet alleen voor de meeste van de Europese naties vandaag de dag, maar evenzeer voor grotere naties als China, Japan en Iran. In de historische wetenschappen staat dit bekend als concentrische concentratie.

De Libische opstand is een typisch voorbeeld van een staat, die door interne verdeeldheid onmogelijk als natie kan worden beschouwd. Het is ook niet de eerste keer dat het oosten van het land in opstand komt tegen Gadaffi. Het is wèl de eerste keer dat het op zo'n schaal gebeurt, dat het westen er op tijd van op de hoogte was om zich er mee te kunnen bemoeien. Daarbij aangetekend, dat ook de politieke situatie zich daarvoor leende. Maar dat niet iedere gelegenheid direct moet worden benut wordt hier vlekkeloos gedemonstreerd.

Soedan
De belangrijkste aanleiding voor het westen om zich er mee te bemoeien, wat men er verder ook over zal zeggen ter verdediging, is olie. Libië was één van de vijf grootste olieproducenten van de wereld. Als we de gebeurtenissen in Libië vergelijken met wat de afgelopen 50 jaar in Soedan is gebeurd, wordt duidelijk hoe schrijnend de westerse desinteresse eigenlijk is. Niemand heeft zich ooit meer dan marginaal geïnteresseerd voor wat er in het land gebeurde; de berichtgeving er over werd door Nederlandse kranten jarenlang als stopper gebruikt op momenten dat er te weinig nieuws was. Pas in het multimediatijdperk is hierin verandering gekomen, en in die zin is het effect van de multimedia revolutionairder geweest dan in de 'Arabische lente', waarin zij slechts een marginale rol speelden.

De Soedanese burgeroorlog is nu, na ongeveer vijftig jaar onafgebroken gevechten, bijna ten einde door een door de VN afgedwongen splitsing van het land. Daarmee wordt een misser uit de tijd van de dekolonisatie eindelijk rechtgezet. Niet alleen zijn er grote etnische verschillen tussen Noord- en Zuid-Soedan, er is ook nog de kwestie van islamitisch versus christelijk/animistisch. Soedan is een etnisch begrip dat door de Britten in de 19e eeuw is gedefinieerd. Niet minder, maar vooral niet meer. Men had er goed aangedaan die splitsing in 1960 vast te leggen.

Gadaffi
In feite moet je Libië ook gewoon splitsen. Er is alle aanleiding toe, en dat kolonel Gadaffi in westelijk Libië aan de macht zal blijven is wellicht een bittere pil, maar gezien de ontwikkelingen een onvermijdelijke uitkomst. Zonder westerse interventie te land is het eigenlijk ondenkbaar dat hij op korte termijn door de wapenen kan worden onttroond.

Sterker, het is hoogst waarschijnlijk de snelste methode om zijn dynastie ten val te brengen. Het grootste deel van de Libische olierijkdom zit immers in de regio Benghazi, dat door de opstandelingen wordt beheerst. Het westen is een tamelijk arm gebied, dat op korte termijn vooral zal moeten drijven zal op de banktegoeden elders in de wereld. De gevolgen van die aderlating voor het regime laten zich raden. Het westen kan rustig achterover leunen tot een succesvolle paleiscoup ruimte maakt voor onderhandelingen van een normalisatie van de verhoudingen.

Bezwaren
Het is omslachtig, er komt weer een staat bij, en ons rechtvaardigheidsgevoel loopt een deuk op. Van deze drie bezwaren is alleen het laatste relevant, want het raakt de kern van het probleem van de hedendaagse elites: de publieke opinie. Daar zullen ze maar eens overheen moeten stappen. Er zijn op dit moment grotere problemen dan dat we ons kunnen veroorloven in een lokale oorlog in de Middellandse Zee betrokken te raken.

Dat het ook een goed idee zou zijn om bij een volgende gelegenheid eens een paar stappen vooruit te denken, in casu, of en in hoeverre, we in een oorlog in Libië betrokken willen worden. Dat is voor de hedendaagse elites echter helaas te veel gevraagd, kennelijk.

dinsdag 14 juni 2011

Discriminatie



Vanmorgen las ik in De Pers een berichtje, dat PVV'ers ook worden gediscrimineerd. De Pers was de antidiscriminatiebureaus langs geweest, en ten opzichte van 2009 was het aantal klachten in 2010 met maar liefst met 300% toegenomen! In exacte getallen klinkt dat al een stuk minder indrukwekkend, in 2010 waren immers maar 77 meldingen geweest.

Het ging hierbij vooral om uitingen in de media: vergelijkingen tussen PVV en NSB, de introductie van de term Bruin 1 voor het kabinet Rutte in oktober, maar ook van een scholier die zijn opstel naar eigen zeggen met een onvoldoende zag bestraft wegens de politiek incorrecte mening die hij er in verkondigde.

Wat we daar van moeten vinden? Ik vind het fantastisch! In zekere zin is hier namelijk sprake van emancipatie. Het artikel suggereerde dat de klagende PVV'ers zonder uitzondering blank waren, en meestal man. De groep die volgens erkende wijsheid niet gediscrimineerd kan worden, omdat zij de bron is van alle kwaad. De enige minderheidsgroep die standaard als de onderdrukkende meerderheid wordt gezien.

De antidiscriminatiebureaus hebben de klachten genoteerd. Dat is winst, want laten we wel zijn, als pakweg twintig jaar terug iemand strak stevig rechtse ideeën had en werd uitgescholden voor nazi, dan ontkende je dat netjes (en naar we mogen hopen naar waarheid), maar dat je je daarmee kon vervoegen bij een antidiscriminatiebureau kwam niet in je op. Slikken, verbijten en inwendig vloeken op de lichtzinnige nitwits die zonder enige kennis van zaken naar het gemakkelijkste scheldwoord grepen. Immers, wie nazi werd genoemd, was af. Geen verdediging tegen mogelijk.

Ik vind het dapper dat mensen de moed hebben om naar zo'n bureau te gaan, en een dergelijke klacht neer te leggen. Het is traditioneel toch een beetje het hol van de leeuw. Mij zullen ze er niet zien, en ik vind het ook niet nodig heel veel mensen de gang erheen maken. Aan een dikke huid is nog nooit iemand doodgegaan. Maar dat het kan als het de spuigaten uit gaat lopen is een goede zaak.

zaterdag 11 juni 2011

Gezag in crisis



Burgemeestersdie weigeren besluiten van de Rijksoverheid uit te voeren, moeten op zoek naar een andere baan. 'Dit is de zoveelste vorm van bestuurlijke ongehoorzaamheid.'

Dat heeft PVV-Kamerlid Hero Brinkman donderdag gezegd naar aanleiding van het verzet van de gemeenten tegen een gedeelte van het bestuursakkoord. Tijdens overleg in de Tweede Kamer vroeg Brinkman minister Piet Hein Donner (CDA, Binnenlandse Zaken) wat hij van plan is aan de 'weigerburgemeesters' te doen. In de ogen van Brinkman blokkeren de burgemeesters - als 'ondemocratisch benoemde bestuurders' - besluiten die door de Tweede Kamer zijn genomen. Minister Donner waarschuwde de bestuurders dat ze spijt gaan krijgen van hun 'nee' tegen het akkoord.

Het is hoog tijd dat dit fenomeen, de weigerburgemeester/gemeente, eens aan de kaak wordt gesteld. Natuurlijk, gemeenten en hun bestuurders hebben eigen verantwoordelijkheden. Maar het is sinds een jaar of veertig in toenemende mate gewoonte geworden dat gemeenten het beleid van de nationale overheid dat hen niet bevalt, saboteren, slechts deels uitvoeren of domweg negeren. Tegelijkertijd vraagt men zich vertwijfeld af, hoe het kan dat het gezag van de gemeentelijke overheid door vrijwel niemand meer als vanzelfsprekend wordt gezien.

Wie het verband niet ziet, wil het niet zien.

De lijst van afwijkingen van wat officieel is toegestaan is zo lang geworden, dat regelmatig gemeenten zich niet of nauwelijks bewust zijn van de overtredingen die zij begaan. De indirecte subsidiëring door de gemeente Vlaardingen van de "Gazavloot" is slechts een enkel incident in een lange rij. Nederlandse wethouders vliegen de wereld rond om allerlei projecten in het buitenland in ogenschouw te nemen, zonder zich maar een moment af te vragen of dat is waarvoor zij betaald worden. In tijden van voorspoed is het al dubieus genoeg, maar in tijden van voortdurende bezuinigingen zijn het activiteiten die door minder gelukkigen met wrok worden bezien. Terechte wrok.

Hero Brinkman stelt het nu aan de orde naar aanleiding van een concreet punt, maar het is een fenomeen dat een diepgaander debat verdient. De overheid kan geen moreel beroep doen op haar onderdanen zonder zelf het goede voorbeeld te geven. Haar dienaren zijn daarvan onvoldoende doordrongen, en het is de hoogste tijd daar werk van te maken.