vrijdag 16 september 2011

De Missing Link



Door onderzoekers naar de oorsprong van de mens wordt veel gesproken over de Missing Link, de legendarische overgangssoort tussen mens en aap, van welke wij allemaal zouden moeten afstammen. Men is ondertussen teruggekomen tot een tijdstip 3 a 4 miljoen jaar geleden, en dat we verder terug moeten lijkt vast te staan.

Of we die overgangsfiguur ooit zullen vinden? Men gaat er daarbij stilzwijgend van uit, dat de overgang middels langzame evolutie heeft plaatsgehad, zonder plotselinge mutaties van dominante eigenschappen. De reden? Van een plotselinge overgang als zo’n snelle mutatie is bijzonder weinig kans er iets van terug te vinden. Het enige dat je bij zo’n snelle mutatie terug zou kunnen vinden, zijn een korte periode met babylijkjes van mutaties die niet geschikt bleken voor overleving. Aangezien de natuur babylijkjes onder normale omstandigheden al na een paar jaar tot onherkenbare compost verwerkt, is de kans hierop vrijwel nul. Een plotselinge overgang naar de ‘moderne’ mens is dus niet attesteerbaar.

De maatschappelijke missing link, bijvoorbeeld, is evenmin aanwijsbaar. Ze moeten er in redelijke aantallen geweest zijn, de afgelopen 50 jaar. Een aantal loopt nog steeds rond, en de kans dat u als u dit leest er zelf een bent, ligt vrij hoog.

Opvoeding & onderwijs
Ik bedoel dit: de opvoeding en opleiding van onze laatste drie generaties in de westerse maatschappij laten een stevige trendbreuk zien met voorgaande generaties. Dat gaat verder dan alleen een mentaliteitsomslag. Die is belangrijk, maar de kenmerken er van zijn veel belangrijker dan de omslag op zich.

Een belangrijk gevolg van die mentaliteitsomslag is de wijze waarop de opleiding van onze kinderen op scholen ter hand genomen wordt. Tot circa het 14e levensjaar krijgen onze nakomelingen tegenwoordig een zo breed mogelijke opleiding op hoog niveau, om zeker te stellen dat ze na deze leeftijd in staat zijn om bij het vereiste niveau op de door hen uiteindelijk gekozen studierichting te kunnen aanhaken. Tijdens die brede opleiding op middelbaar niveau worden kinderen volgepompt met kennis en vaardigheden die ze op het topniveau later nodig zouden kunnen hebben.

De vervolgstudies gaan diep, en maken deze kinderen tot hoogst gespecialiseerde academici als zij hun universitaire opleiding voltooien. Niet alleen hebben zij kennis van waar de grenzen van de contemporaine wetenschap liggen; van iedere generatie wordt ook verwacht dat zij die grenzen nog iets helpen opschuiven.

Door die opschuivende grenzen is het onvermijdelijk dat de stappen daar naar toe steeds groter worden. Op dit moment is de afstand zó groot geworden, dat voor veel kinderen de logica tussen de verschillende stappen verloren gaat. Een bijkomend probleem is, dat doordat de docenten in voorgaande generaties dit probleem ook al hebben ervaren, zodat ze minder aandacht schonken aan een logische opbouw van de lesstof, dan aan het halen van hun targets aan het einde van het schooljaar.

Beroepsdeformaties
Eenzelfde probleem doet zich voor bij mensen die na hun opleiding functies aanvaarden waarin het belangrijk is te begrijpen waarom de zaken die zij gaan beheren zijn georganiseerd zoals zij ze aantreffen. Dit geldt vooral, maar niet uitsluitend, voor mensen die in dienst treden van overheidsorganisaties. Van hen wordt een prompte bijdrage aan de verdergaande professionalisering van hun organisatie verwacht, in plaats van te worden ingewerkt in historie en logica van het door hen gekozen beroep.

Een extra tegenstrijdigheid is daarbij, dat de nieuwe werknemers nog maar zelden uit overtuiging kiezen voor een dergelijk beroep. Eerder beschouwen zij dit als een eerste stap in een lange carrière, die hen langs een keur van management-georiënteerde functies moet leiden tot een felbegeerde topfunctie in onverschillig welk overheidsgremium.

Wat hierdoor verloren is gegaan, is de logische opbouw van veel regels en maatregelen, die op zich allemaal inderdaad efficiënter kunnen worden geregeld en toegepast, maar daardoor helaas hun onderlinge verbanden gaan verliezen.

Een tweede verlies dat hiermee samenhangt, is dat niet langer de intentie van regels belangrijk is, maar een efficiënte toepassing van de letter van vigerend beleid.

Dit laatste probleem ontstaat mede, doordat de gezochte promotiemogelijkheden primair ontstaan via drie mogelijke criteria: a) het invoeren en implementeren van nieuw en succesvol beleid, b) een kwantificeerbaar resultaat als gevolg van een letterlijke uitvoering van een bepaald voorschrift, en c) een verdere aanscherping van bestaande regels en normen ten einde een verdere verbetering van de algemene omstandigheden die de bewuste regel beoogde te bewerkstelligen.

Hoe goed bedoeld ook, alle drie deze factoren werken contraproductief bij het tot stand brengen van een geïntegreerd overheidsbeleid. Door de onmatige fixatie op het type beleid dat door de aandacht vanuit de publieke opinie de beste promotiekansen biedt, ontstaan beleidsmatige excessen die geen objectieve basis hebben in de mogelijke resultaten, en de omvang van de middelen die worden ingezet. Aangezien ook de publieke opinie, vrijwel uitsluitend vertegenwoordigd door het journaille van de MSM, dat leeft van de aandacht voor zaken waarvan mensen denken dat hen die persoonlijk raken kunnen, hier een rol in speelt, is een proces ontstaan dat vrijwel onmogelijk te remmen valt.

Voorbeelden bestaan op vele gebieden. Ik geef er drie.

1) In het geschiedenisonderwijs werd een aantal jaren terug in het kader van de bewustwording van leerlingen voor belangrijke zaken als slavernij, vrouwengeschiedenis, en kolonialisme (om er een paar te noemen) besloten dat aan deze onderwerpen extra aandacht diende te worden geschonken, zulks ten koste van een logische opbouw van het geschiedenisonderwijs.

Een gevolg was dat kinderen vaak redelijk op de hoogte waren van bepaalde feiten en gebeurtenissen, maar deze op geen enkele wijze in een logisch historisch verband konden inpassen, omdat hen een degelijk kader ontbrak. De slavernij in de Oudheid en de slavernij in de USA in de 19e eeuw worden door veel kinderen als in elkaars verlengde liggend beschouwd. En zo verder.

2) De fixatie op risico’s voor alle deelnemers aan het verkeer leidde tot extreme aandacht (en subsidies) voor allerhande zaken als verkeersrotondes en snelheidsbeperkingen op snelwegen, die op de keper beschouwd vrijwel niets bijdroegen aan de algemene verkeersveiligheid, maar door hun kwantificeerbaarheid en herkenbaarheid in het openbare domein voor het publiek herkenbaar waren als beleid in uitvoering.

3) Een ander gevolg van een fixatie op het beperken van risico’s zie je terug in de wijze waarop men probeert de risico’s van vers bereid voedsel te minimaliseren. Met als onbedoeld gevolg, dat vers en volledig door een restaurant zelf bereid voedsel vrijwel alleen nog verkrijgbaar is in restaurants die staan vermeld in de Michelin-gids, of de aspiratie hebben daarin voor te komen.

Dit is een tendens die in geheel West-Europa waarneembaar is, en onterecht wordt geweten aan de prijs van vers ten opzichte van convenience food dat bij groothandels ruim voorradig is. En bacteriologisch vrijwel dood. En daardoor smakeloos. De prijs van vers is inderdaad astronomisch, maar de oorzaak daarvan ligt aan de extreme voorzorgen die een restaurant moet treffen om vers voedsel zelfs te mógen bereiden. De arbeidskosten van allerlei voorzieningen maken het voor ondernemers vrijwel onbetaalbaar. De werkelijke verbetering is echter miniem.

Conclusie
Wat ontbreekt, is overzicht op grote verbanden, en de ruggengraat om de beoordeling van die verbanden en de conclusies die men daar aan verbindt te verdedigen. De overheid trekt zich van dit soort zaken veel te veel aan van mensen die met slechts een zeer beperkte kennis van zaken via pressiegroepen hun onrust uiten. Die onrust ontstaat door berichten in de media, die vaak zijn ingestoken door ambtenaren, die belang hebben bij de aandacht voor hun specifieke gebied van het algemeen beleid. Waarmee de cirkel rond is.

Ik geef hier drie voorbeelden, maar zou er uit de losse pols een stuk of vijftien kunnen beschrijven. En dit Missing Link-concept is op veel meer terreinen toepasbaar, waar de afgelopen 50 jaar een trendbreuk heeft plaatsgevonden. Wie goed om zich heen kijkt, ziet er dagelijks voorbeelden van.

Ik ben van mening dat, doordat we in ons onderwijs aan toekomstige generaties nalaten de onderlinge samenhang van veel zaken te tonen, maar vooral aandacht besteden aan een onbeperkte verbetering van zaken die op zich prima functioneren, we een maatschappij hebben gecreëerd die steeds hysterischer word. Dat we hierdoor tevens ontwend zijn te accepteren dat iemand iets in een groter verband plaatst, waardoor een specifiek aandachtspunt minder prominent op de agenda staat en zal blijven staan, is een ongelukkige extra handicap.

dinsdag 13 september 2011

Vrijheid (bestaat niet/is een illusie/is gebondenheid) & de multiculti



Vrijheid bestaat niet. Het spijt me u dat zo plompverloren voor de voeten te moeten gooien, maar het is iets dat u onder ogen moet zien. Het begrip heeft een rechtmatige plaats in een illuster rijtje: Rechtvaardigheid, De Waarheid en Vrijheid impliceren allen, dat er één en ook maar één unieke staat is van elk, die de ultieme en opperste staat vertegenwoordigt. Helaas is dat niet waar.

Van zowel Rechtvaardigheid als De Waarheid heeft u dat wellicht al eens eerder onder ogen gezien. Maar van Vrijheid? Velen spreken er over, het is een ideaalbeeld voor vrijwel iedereen die zich bezig houdt met politiek. En we hebben bovendien de neiging er ons op te beroepen, als we in het nauw komen. Dus is het bijzonder jammer dat het echt niet bestaat, en niet meer is dan een filosofisch begrip.

Het probleem met Vrijheid is, dat het een begrip is dat afhankelijk is van de context. Dat is problematischer dan het klinkt, omdat de logische eerste reactie is, dat je losmaken van een bepaalde context bevrijdend zou moeten werken. Echter, bevrijding van de ene context kan alleen door je te verbinden aan een volgende context. Volkomen vrijheid in de zin van ongebondenheid aan restrictieve omstandigheden kan daardoor eigenlijk niet bestaan, en moet worden gedefinieerd als een filosofische onmogelijkheid.

Maatschappelijk is de definitie van toegestane Vrijheid over het algemeen, dat u elke vrijheid heeft, tot u die van een ander in de weg zit. Dat is min of meer de basis van het liberalisme, en van onze vrijen en open maatschappij. Niet zelden is het gevolg, dat uw vrijheid en die van uw buren elkaar in de weg komen te zitten. Botsingen zijn, juist door het persoonlijke karakter die Vrijheid in essentie heeft, onvermijdelijk.

Waar we het meestal over hebben als we spreken over Vrijheid, is een gevoel van Vrijheid. Hier wordt het interessant. Want het is zeker mogelijk je volkomen vrij te voelen. Wat hiervoor benodigd is, is het speelveld te verkleinen. Als we dat vertalen naar een maatschappelijke situatie ontstaat volkomen Vrijheid, als u een situatie bereikt waar de grenzen die u zichzelf vrijwillig oplegt, nooit worden overschreden door de buitenwereld.

Uit de aard der zaak is het onvermijdelijk dat de buitenwereld van tijd tot tijd inbreekt in uw universum, en wanneer dat te vaak gebeurt, ontstaat een gevoel van onvrijheid. Indien voldoende geprovoceerd, is de volgende reactie er een van al dan niet lijdelijk verzet tegen die buitenwereld, die u in uw Vrijheid belemmert.

Dat dit ambivalente situaties oplevert is ondubbelzinnig onvermijdelijk. De mooiste manier van een samenvatting die ik ken om het dilemma duidelijk te maken, stamt uit de vroegste periode van het Christendom. Tekst van een veel voorkomende votieftablet:
Ik ben een slaaf van Christos, en daardoor ben ik volkomen vrij

Hoe moeten we dit begrijpen? Binnen een vrij streng begrensd universum, kon de bekeerling zich overgeven aan zijn geloof, en kan niets hem weerhouden zijn geloof te praktiseren zoals hem dat het best voor komt. Door afstand te nemen van alle maatschappelijke regels die in tegenspraak waren met zijn overtuiging, werd de volkomen Vrijheid verworven. Alles daarbuiten negeerde hij of zij als niet-relevant, iets dat in de eerste evangelische fase werd opgevangen door de kerkelijke organisatie, en in het uiterste geval tot gerechtelijke stappen van de overheid leidde. De leeuwen aten daar inderdaad goed van, maar dat was niet meer dan een exces.

Welbeschouwd zijn ook culturen te vertalen als besloten gemeenschappen die een set gedeelde waarden huldigen. Daarom is de multiculturele samenleving als concept, een aanval op de cultuur van mensen die zich prettig voelen in hun eigen cultuur, en daaraan weinig of geen concessies wensen te doen. De ironie van de situatie van de multiculturele samenleving is, dat men die niet-bereidheid tot concessies doen in essentie wel accepteert van groepen immigranten die voldoende groot zijn om in hun nieuwe woonomgeving hun oorspronkelijke cultuur met succes in stand te (willen) houden, maar niet van de oorspronkelijke bevolking die pogingen in dezelfde richting onderneemt.

Uw Vrijheid wordt begrensd door die van anderen. Het impliciete maatschappelijke uitgangspunt daarvan is en blijft, dat de kernwaarden van de deelnemers aan een maatschappij voldoende dicht bij elkaar liggen, om tezamen een werkbare gemeenschap te vormen. Als dat niet zo blijkt te zijn, ontstaat er geen probleem, maar dan is er een probleem.

Wie zijn waarden niet wenst aan te passen aan die van anderen, zal moeten proberen de rechten van anderen in te perken, voor zo ver die fundamenteel strijdig zijn met de eigen normen. Ware Vrijheid is het recht je eigen grenzen en beperkingen vast te leggen. In het geval van extremistische moslims komt dat niet zelden neer op een afwijzen van democratie en open maatschappelijke systemen. Dat is consequent met de leer van de islam, en beslist verdedigbaar. Maar het is onverenigbaar met een maatschappij, zoals we die wensen in het Westen.

woensdag 7 september 2011

De Troonrede, de parlementariërs, en de Koningin



Met Prinsjesdag (dit jaar op 20 september) in aantocht is het jaarlijkse gekrakeel rondom het verstrekken van de rede aan politici en journalisten weer losgebarsten. Deze disproportionele aandacht voor de manier waarop de beleidsvoornemens aan Nederland moeten worden gepresenteerd wordt in de eerste plaats veroorzaakt doordat men dat liever doet dan voorspellingen van het kabinetsbeleid zelf. Men zou er eens naast kunnen zitten (pijnlijk), en voor de oppositioneel georiënteerde kranten geldt bovendien dat men de regering niet graag op een goed idee brengt, zéker niet in een tijd van bezuinigingen. En als het niet over de inhoud mag gaan, dan maar over de vorm.

Met die vorm is door alle aandacht er voor iets geks gebeurd. Sinds jaar en dag klagen regeringsgezinde politici na afloop van de plechtigheden, dat kranten en media zich niet hebben gehouden aan de erecode er niets uit te publiceren alvorens de Koningin haar verhaal had voorgelezen. Dat is hùn manier, om de aandacht van de inhoud af te leiden, want zelden maakt de miljardennota mensen gelukkig. Al is ie daar dan ook niet voor bedoeld, in ieder geval niet op korte termijn.

Helaas is de discussie over de vorm waarin het kabinet het parlement ter wille wil zijn langzamerhand een speelbal van emoties geworden, waaraan men denkt tegemoet te moeten komen. Voor een buitenstaander heeft dat iets potsierlijks. Om de zoveel jaar worden de regels veranderd, ook de nieuwe regels worden op ouderwetse wijze met voeten getreden, en na een paar mislukte pogingen bedenkt men weer iets nieuws. En zo voort, en zo voort. De nieuwste aanpak, die het verfrissende kabinet-Rutte als onderdeel van haar paleisrevolutie presenteerde, is dat alle politici het krijgen op de vrijdag (de 16e september, dus) vóór De Dag.

Technisch gezien mag men daar niet over praten, zo is de nieuwe regel, maar lezen mag. En omdat er ook geen formeel embargo meer is, mag de pers over de schouder meelezen, mits men maar niemand citeert. Dat ging niet goed. Natuurlijk niet, ben je geneigd te zeggen. Gistermiddag zijn de fractievoorzitters met Kamervoorzitter Verbeet overeengekomen, dat er alsnog over de stukken gepraat, máár, niet gedebatteerd mag worden. Bij dat alles blijft gelden, dat men de Koningin niet wil schofferen door erover te debatteren alvorens De Majesteit haar praatje heeft opgelezen.

Kortom, de oppositie zal haar gang gaan, de regeringspartijen zullen schoorvoetend maandag de publicitaire arena betreden, en woensdag zal er nog weinig over gezegd worden, behalve over zaken die men zich eerst niet zo gerealiseerd had. Eigenlijk is dat voor De Majesteit een plusje, want daardoor kan de pers haar onverdeelde aandacht schenken aan de manier waarop Hare Majesteit de woorden van premier Rutte en zijn kabinet voordroeg. Respect voor de kleinkunstenaar, zogezegd.

Grappig is natuurlijk de manier waarop de oppositie zich het recht toe eigent hierover geïnformeerd te worden. Want is er aanleiding te veronderstellen dat het een recht zou zijn? Nee. Is er een informatie-ongelijkheid tussen de leden van het parlement? Jazeker, en doordat het kabinet een parlementaire gedoogconstructie heeft is dat zelfs geïnstitutionaliseerd. Maar die situatie verandert niet door twee dagen eerder te kunnen lezen wat de regeringspartijen in de zomer onderling bekokstoofd hebben.

De oppositie heeft niet zozeer redenen om die inzage vooraf te eisen, eerder heeft zij argumenten om te zeggen dat het zomerse overleg tussen parlementsfracties en regering constitutioneel gezien ongezond is. De regering regeert, het parlement controleert, zo is het adagium. Daar staat dan tegenover, dat de praktijk weerbarstig is, de Kamer boven op iedere beweging van ministers zit, en het geen enkel doel dient als de regeringsfracties na het voorlezen van de beleidsvoornemens van het kabinet de hele boel nog eens vrolijk omploegen, zulks onder machteloos geworstel en geïntrigeer van de oppositie. Dat de regerings(ondersteunende)fracties van de inhoud van de troonrede tot in detail op de hoogte zijn is daarom onvermijdelijk.

De enige reden om de oppositie de stukken eerder dan voorleesdag ter hand te stellen is dus om haar geen al te modderig figuur te laten slaan als de media direct na de voordracht door Hare Majesteit van de oppositie willen weten wat de eerste gedachten over de voorgestelde maatregelen zijn. Dat die reacties ondertussen ook vrijwel volledig ritueel geworden zijn doet daarbij eigenlijk niet ter zake. De oppositie vindt het een schande, of heeft grote bedenkingen, volledig afhankelijk van hoe ná de partij in kwestie het kabinet qua politieke kleur staat. De inhoud is eigenlijk secundair.

Ook is voor politici niet onbelangrijk natuurlijk, dat de kans dat men op een dag zelf tot de oppositie zal behoren levensgroot aanwezig is. En ook dat is een reden voor de regering de oppositie in zekere zin ter wille te zijn.

Met respect voor het staatshoofd heeft dat alles niets te maken. De halfhartige pogingen van Balkenende een paar jaar terug dit argument als hefboom en dreigement te gebruiken om de parlementariërs enigszins in te tomen zijn mislukt, en de wijze waarop Rutte c.s. de Troonrede nu verspreiden erkent dit. Het enige alternatief is daadwerkelijk de verspreiding van de tekst van de Troonrede uit te stellen tot nadat zij is uitgesproken. Natuurlijk wordt het een aangenaam spektakel om Pechtold daarover boos gillend in actualiteitenprogramma's te zien paraderen, maar het sop is de kool niet waard.

De aanpak van Rutte lijkt me dus verstandig. Alleen, het zou de regeringspartijen sieren als zij de MSM niet zouden bedienen door er ook op te reageren. Daarmee zouden de oppositiecommentaren verworden tot een slag in de lucht. Echter, dat zal wel weer teveel gevraagd zijn.

zondag 4 september 2011

NRC, Kamervragen, Soeterbroek



De Kamervragen die Martin Bosma eerder deze week namens de PVV stelde over het 9%-eigendom van SP-sympathisant Derk Sauer gaven me een ietwat ongemakkelijk gevoel. Het was heel wel mogelijk dat Bosma's eerste invalshoek was de aandacht te vestigen op de manier waarop opinies in de MSM tot stand komen, maar daarvoor zijn Kamervragen eigenlijk niet bedoeld, al zijn ze een machtig wapen. Altijd zijn ze goed voor een stukje in de krant, of om een discussie aan te zwengelen, en dat is dan ook waarvoor kamerleden ze bij uitstek gebruiken. Dat de minister in kwestie daar dan ook nog wel eens op in gaat en met een antwoord komt waarmee wat kan worden gedaan is een bonus, maar eigenlijk niet veel meer.

De beschuldiging van kinnesinne, en van wraak gevoelens kwamen dan ook al snel ter tafel. Immers, Martin Bosma had tot juni van dit jaar samen met Jolande sap (GL) en Ton Elias(VVD) een politieke wisselcolumn in NRC. Voor iedereen die die columns wel eens las, was het duidelijk dat Bosma de kachel aanmaakte met zijn collega-columnisten. Elias bleek klem te komen te zitten tussen zijn functie als lansknecht van het kabinet in de Tweede Kamer, en zijn gebrek aan lichtvoetigheid. Sap bleek dit laatste te combineren met een ontoereikende schrijfvaardigheid, en het onvermogen zich los te maken van het verdedigen van haar partijlijn. Het politieke karakter, en de vrijbrief die dit opleverde, werd nog pregnanter duidelijk, omdat Sap in januari deze column overnam van haar opgestapte voorgangster Femke Halsema. Dat NRC haar die plek vrijwel automatisch gaf, bevestigde het gevoel dat van het begin af aan deze wisselcolumn kleefde.

De vragen van Bosma zijn op zich te lezen als aanval op de politieke kleur van het NRC:

1.) Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Uitgever van NRC Handelsblad boekt verlies in eerste jaar’(*)

2.) Was u ervan op de hoogte dat SP-financier Derk Sauer maar liefst 9 procent van NRC Handelsblad in bezit blijkt te hebben?

3.) Acht u de kans aanwezig dat NRC Handelsblad nog verder links georiënteerd raakt, bijvoorbeeld doordat NRC-journalisten in het gevlei willen komen bij hun radicaal-linkse eigenaar?

4.) Deelt u de mening dat U als minister dient toe te zien op een scheiding tussen eigendom en redactie bij dagbladen?

5.) Deelt u een gevoel van verlies dat het eens zo trotse conservatief-liberale avondblad is verworden tot een politiek-correct blad dat een lofzang brengt op de multiculturele samenleving, het EU-nationalisme, de ‘arabische lente’, de strijd tegen Israël, de kunstsubsidies en dat, behoudens een enkele uitzondering, alleen maar extreem-linkse columnisten heeft?


Sinds lange tijd heeft men in Nederland middels redactieraden gepoogd te voorkomen dat een eigenaar al te veel invloed kon uitoefenen op de politieke richting van een krant. Die 9% van Sauer lijken niet al te indrukwekkend, maar wie bedenkt dat hij ook het recht verwierf de hoofdredacteur te mogen aanstellen, ziet toch een iets ander beeld.

Anderzijds, is dat hoe het werkt? Vergeet het maar. De klankkleur van een krant ligt niet helemaal vast. Redactieraden zijn afhankelijk van de mensen die ze bevolken, en die mensen zijn aan verandering van mening onderhevig. Waar het NRC sinds vele jaren een mars naar links ondernam, is bij De Volkskrant in diezelfde periode een tegengestelde beweging waarneembaar. Dit icoon van extremistische waanzin van de jaren tachtig heeft zich de afgelopen 15 jaar omgevormd tot een open krant waar een veelheid aan opinies te lezen is, vorm gegeven door een keur aan onafhankelijk denkende journalisten. De Volkskrant is met afstand het meest onafhankelijke blad uit de MSM. Van dit moment.

Van dit moment, want het laat tevens zien dat de politieke kleur van een dagblad niet automatisch vast ligt. Het blijft een momentopname. Als oud-journalist kan ik met niet goed voorstellen dat Bosma dit niet weet.

De PVV heeft in haar benadering van de media, en de MSM in het bijzonder, altijd een consequente politiek gevoerd. Naar de mening van deze partij mogen media doen wat ze willen, mits ze de financiering daarvoor zelf rond krijgen. Dat werd eerder deze week nog eens benadrukt door de reactie van Geert Wilders op een cartoon van Joop.nl-icoon Soeterbroek, die eerder deze week werd gepubliceerd. Wilders was er niet bepaald blij mee, maar twitterde slechts:

'Waar Nederlanders voor moeten betalen: gesubsidieerd aanzetten tot geweld. De VARA. Hoe lang nog?'


Rechtszaken, verbieden, aanklachten, het zijn allemaal zaken die de vrijheid van meningsuiting geen goed doen, en dat de PVV dat beseft mag ondertussen als gegeven worden beschouwd. Het is ook niet nodig; VARA-coryfeeën zullen zich er in toenemende mate van afwenden, en de kuddegeest doet de rest. Geert Wilders geeft het goede voorbeeld. Is hier sprake van een schisma tussen Wilders en Bosma? Een tweesporenbeleid? Zegt Bosma wat Wilders zich publicitair niet kan veroorloven?

Terug naar de vragen van Bosma. Als je mensen de vraag stelt, of iemand een krant zou mogen kopen om zijn opinie op de lezers los te laten, zul je tegenstrijdige reacties krijgen. Het eigendomsrecht is in de perceptie van veel mensen in een geval als dat niet 100% van toepassing. Anderzijds is er niemand die de vraag negatief beantwoordt, of iemand die een nieuwe krant opricht en financiert, het recht heeft invloed uit te oefenen op de opinies die via die krant aan de man worden gebracht. Hier wringt iets.

Als we de vragen door Bosma nog eens onder de loep nemen, vallen vooral de eerste twee op. Van het noemen van het artikel kun je nog zeggen dat je dat terug kunt voeren als bronvermelding, maar gecombineerd met de tweede doemt een het beeld van een preëmptieve actie op. Financieel gaat het al jarenlang slecht met het NRC; de krant maakt verlies, en niet zo'n beetje.

Bosma effent met zijn vragen het speelveld om een steunaanvraag van het NRC bij het Fonds voor de Media te kunnen torpederen. Ik geloof niet, dat hij de krant zou willen muilkorven. Maar hij maakt zich wel degelijk op, om te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de steunoperaties uit de jaren 70 en 80, toen allerlei media met grote hoeveelheden overheidsgeld overeind werden gehouden. Het NRC uitsluiten van steun uit het Fonds voor de Media zou de eigenaren van het NRC kunnen dwingen een meer op de algemene consensus gevormde krant te verkopen. Dat hoeft natuurlijk niet, maar dan zullen ze de kosten daarvan geheel zelf moeten dragen.

zondag 14 augustus 2011

Privacy-notitie naar aanleiding van de rellen in de UK



Meest opvallend bij de rellen in Londen en de rest van de UK, was de manier waarop de overheid reageerde.

In eerste instantie hield de centrale overheid zich veel te lang afzijdig. Maar toen zij zich er eenmaal mee bemoeien ging, ging men er ook gelijk hard tegenaan. Premier Cameron sprak over de mogelijkheid het leger in te zetten tegen plunderaars in wijken waar de politie er niet in zou slagen de overhand te krijgen.

Toen de politie eenmaal weer greep op de zaak leek te krijgen, kwam een volgende stap die nogal schokkend was. Cameron zei letterlijk, dat Human Rights wat betreft privacy-wetgeving en dergelijke hem niet konden schelen, en dat elk van de plunderaars die ergens herkenbaar in beeld kwam ook op internet zou worden gezet tot dat arrestatie en identificatie waren voltooid. Ook de herkomst van de beelden zou niet al te zwaar worden nagetrokken.

Op zich, een prima zaak. Wat het gemakkelijker maakte is dat de UK geen grondwet kent, zoals de meeste West-Europese staten. Desalniettemin, het gemak waarmee dit werd aangekondigd, zelfs voor er in het parlement over gesproken was, doet ietwat ongemakkelijk aan.

Het maakt duidelijk dat er een discussie moet komen, in welke gevallen privacy moet prevaleren boven staatsbelangen, en in welke gevallen het algemeen belang zodanig wordt bedreigd dat de rechten van het individu er voor moeten wijken.

In gevallen van gewelddadigheden als die van afgelopen week, zijn er maar weinig mensen die vinden dat de privacywetgeving belangrijker zou moeten zijn dan de kans op bestraffing, en mijns inziens terecht. Wie denkt onder te kunnen duiken in een massa om zich onbekommerd te kunnen uitleven ten koste van rustig levende mensen, moet snel uit de droom worden geholpen.

Evenzeer vind ik in dat verband, dat privacywetgeving in sterk verminderde mate zou moeten gelden voor daders van roofovervallen en dergelijke geweldsdelicten. Een rel zoals twee weken terug ontstond, omdat het Nederlandse College Bescherming Persoonsgegevens aankondigde kleine winkeliers, die proberen via internet te achterhalen wie hen kort daarvoor hebben beroofd, te gaan beboeten met werkelijk draconische bedragen, staat in schril contrast met de werkelijkheid van Londen vorige week.

De Wetgeving op dit terrein behoeft daarom aanpassing. Eerder nog dan het klakkeloos beschermen van het principe van het recht op privacy, dient eigenlijk de vraag te worden gesteld tegen wie de privacy van mensen het meest dient te worden beschermd. Eigenlijk zijn daartoe drie groepen te onderscheiden:

1) Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke
2) De overheid
3) Het grootschalige bedrijfsleven

Privé-pesterijtjes via internet en dergelijke spreken eigenlijk voor zich, maar moeten vooral bestreden worden in de sfeer en op het niveau van de wijkagent. Normaal gesproken moet dat voldoende zijn, en uitgebreide bevoegdheden zijn hiertoe eigenlijk niet noodzakelijk. Een volgend niveau, de rechter, biedt verder voldoende bescherming. Een algemeen verbod in andermans zaken te neuzen lijkt me over het algemeen voldoende.

De overheid is van een ander niveau, en heeft ook veel meer mogelijkheden zich te diep en te uitgebreid van informatie over haar burgers te voorzien. Niet zelden gebeurt dat nu al, en het is heel lastig je daar tegen te verweren. Dat de overheid aan strenge privacy-wetgeving wordt onderworpen lijkt me daarom logisch, niet in het minst, omdat zij het moeilijkst aan te pakken is indien er problemen ontstaan. Instanties die het moeilijkst te controleren zijn, moet je de scherpste regels opleggen.

Het grootschalige bedrijfsleven is van de drie bovengenoemde de groep waar het meest moeizaam een vinger achter te krijgen is. Tegelijkertijd is het de groep die de privacy van de burger het meest bedreigt. Bedrijven hebben zeer veel belang bij kennis van hun potentiële klanten, en doen er dan ook alles aan om dergelijke gegevens te bemachtigen.

Wie bij AH gaat winkelen, en gebruik wil maken van de kortingen waarmee het bedrijf zo uitbundig adverteert, zal zich eerst een 'kortingskaart' dienen aan te schaffen - anders geen korting. Dat men het bedrijf middels die kaart onbeperkt toestemming geeft alle met de kaart gedane activiteiten te monitoren, waarmee ook verbonden is de woonsituatie en alles wat daar aan vast zit, beseft niet iedereen. Het is niet mogelijk de kaart te verkrijgen zonder deze toestemming te verlenen. Maar dit is geheel legaal, en veel bedrijven hebben zich langs juridische weg sinds lang verzekerd van de onaantastbaarheid van hun aanpak om de privacy van veel mensen langdurig en consequent te schenden.

Ik ben zelf niet zo'n voorstander van een al te grote sociale controle, maar toch kan ik er niet onderuit dat die bij veel mensen een nuttige functie heeft. Mits met mate mogelijk.

Ook vind ik het lastig om een precieze scheiding tussen grootschalige en minder grootschalige bedrijven te definiëren. Vooral de schaal van werken lijkt me bepalend voor wat acceptabel is. Mijn instinct zegt me dat bedrijven of bedrijfsafdelingen die zich specifiek met deze informatieverzameling bezighouden onder privacywetgeving dienen te vallen, maar in hoeverre dat zou moeten worden uitgebreid vraag ik me sterk af.

Dat de politie in de UK op dit moment overuren maakt om de relschoppers te identificeren en te arresteren voelt voor mij niet als een probleem. Dat heeft echter ook te maken met het onloochenbaar vandalistische karakter van deze rellen. Bij rellen bij uit de hand gelopen politieke demonstraties begint een grijs gebied. Niet, dat relschoppers in die situatie meer rechten zouden hebben. Wèl, dat met de beelden van bewaking en ordediensten zorgvuldiger moet worden omgegaan. Niet zelden blijken beelden van vreedzaam verlopen demonstraties nog jaren in archieven te liggen. Dat gaat veel te ver.

De afwikkeling van de rellen in de UK maakt deze discussie actueel, nu de theorie van de Nederlandse regeling tot nog toe in botsing lijkt te komen met de praktijk van de grootstedelijke maatschappij op Europees niveau. Dat het Nederlandse CPB met een ongelukkig uitgangspunt de zaken probeert te regelen, maakt een debat hierover des te dringender.

vrijdag 29 juli 2011

Orde & Chaos



Weet u wat een optimist kenmerkt? De hoop op het best denkbare. In schril contrast daarmee gaat de pessimist uit van het minimale resultaat. Welke van beide benaderingen een mens het gelukkigst maakt blijft een open vraag. Vast staat echter, dat de houding van de optimist een ingebakken garantie op teleurstellingen bevat, terwijl een pessimist niet zelden blij verrast zal zijn.

Een dergelijke Yin/Yang-verwevenheid geldt ook voor de begrippen Orde en Chaos (ook wel: Energie & Entropie). Naarmate zaken meer en gedetailleerder georganiseerd worden, neemt de interne chaos toe. Juist chaotische toestanden met weinig regels daarentegen zijn een wonder van helderheid voor de deelnemers aan die toestanden. Weinig regels zorgen voor extreme helderheid van wat is toegestaan, en waar sancties op staan.

Als we bovenstaande gedachten toepassen op de manier waarop de rechtsstaat is georganiseerd, zal u duidelijk worden waar de schoen van veel regelingen in de dagelijkse praktijk wringt. Naarmate regelingen specifieker en gedetailleerder zijn, wordt de kans op conflicten met andere gedetailleerde regelingen groter.

Nu is de essentie van specifieke regelingen, dat de overheid probeert greep te krijgen op bepaalde processen, en door ingrijpen sturend wil optreden. Dit is een algemene waarheid, die reeds lang voordat het begrip 'maakbare samenleving' werd geïntroduceerd geldig was. Dat dit in veel gevallen onverwachte gevolgen heeft op andere terreinen, is kenmerkend voor de manier waarop dit proces op hoger niveau effect heeft.

Vaak worden in een democratie als de onze de plaats van de uiteindelijke piketpaaltjes vastgelegd door gerechtelijke uitspraken, die moeten afbakenen waar de geldigheid van de oude regeling zal worden begrensd door nieuwe regelingen die zijn ingesteld om een matigend effect te bereiken. Dat dit voor kleinere zaken onvermijdelijk is lijkt me onontkoombaar, maar uit de aard van het hierboven geschetste zou het beter zijn als veel oude wetgeving, tegelijkertijd met de instelling van nieuwe modificaties, zou worden ingetrokken.

Zou. Want juist doordat er sinds de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 een lappendeken van wetten, regelingen en dies meer zij is ontstaan, is het intrekken van een wet geen sinecure. Het tornen aan die lappendeken bedreigt de structuur.

De Europese Unie is in dat verband een pronkstuk van ellende, omdat in haar regelgeving zij veelal voort bouwt op de resultaten van allerhande wetgeving van de lidstaten. De gevolgen van allerhande hoogstaande principes, die in de uitspraken van het Europese Hof van Justitie in Straatsburg doorwerken, zijn een ander voorbeeld van een steeds onwerkbaarder worden van de regelgeving. Dat de gemiddelde Europeaan zich er niet mee verbonden voelt, en hoogstens geïrriteerd reageert op de verstoring van zijn leven van alledag, is een demonstratie van de chaos die een gevolg is van te gedetailleerde regelgeving.

Een ander voorbeeld van te gedetailleerde regelgeving zien we terug bij de onderzoeken na een ramp die veel aandacht krijgt. Plotsklaps blijken bedrijven, mensen of instanties zich jarenlang met een Jantje-van-Leiden te hebben afgemaakt van allerhande regelingen (die hen anders het werken onmogelijk hadden gemaakt), en wordt hen daarvoor de rekening gepresenteerd. De selectieve manier van werken die dit tot gevolg heeft (zowel bij overheid als gecontroleerden) demonstreert overtuigend, dat hoe goed ook bedoeld, veel regelingen door de rijkheid aan details en uitzonderingen het doel voorbij schieten. Uiteindelijk is er namelijk altijd iets te vinden waarop tegen de regels is gezondigd, zodat een bedrijf dat schade veroorzaakt zwaar kan worden aangepakt.

Als dit laatste de onvermijdelijke uitkomst is, kan het veel eenvoudiger worden opgelost, domweg door bedrijven aansprakelijk te maken voor de schade die ontstaat, waarbij het al dan niet schuldig zijn aan zondigen tegen specifieke regels als niet-relevant terzijde kan worden geschoven.

Resteert ons rechtvaardigheidsgevoel. We willen graag, dat alles zo netjes mogelijk wordt opgelost. En als dat niet kan, zal toch tenminste iemand schuldig moeten worden bevonden aan zaken die mis gegaan zijn. Wie bovenstaand betoog op zich in laat werken, moet gaandeweg gaan beseffen dat het niet mogelijk is dat rechtvaardigheidsgevoel zoals we dat thans koesteren altijd te bevredigen.

De neiging, alles in zo gedetailleerd mogelijke regels te vangen, is een vorm van onzekerheid waarvoor geen panacee bestaat. Wie dat beseft is al een grote stap verder. In een gezonde maatschappij heerst een evenwicht tussen orde en chaos, en op dit moment is het evenwicht gevaarlijk ver verschoven naar de geordende rigiditeit, die een recept voor chaos is.

dinsdag 26 juli 2011

Verloren onschuld



Het zal in het late voorjaar van 1990 zijn geweest, dat ik op een lezingenmiddag van de Amsterdam Summer University terecht kwam. Het onderwerp van de dag was homosexualiteit, en ik verdwaalde daar met een gezelschap via een schoonfamiliale connectie, waarvan iemand een der sprekers was.

De strekking van de lezing van mijn kennis ligt me niet meer bij, iets wat veel toehoorders ter plekke al overkwam, maar de lezing die een docente van de Summer University gaf des te meer. "Lesbian Ethics" was het onderwerp, een veelbelovende titel. Ik werd niet teleurgesteld.

Het onderwerp lag de docente duidelijk na aan het hart. Niet alleen had ze er over gepubliceerd; dat ze zich er ook persoonlijk bij betrokken voelde was onmiskenbaar. Teneur was dat lesbiennes anders met elkaar omgingen dan hetero's.

Daar moest ik wel enigszins om grinniken; twee weken daarvoor had ik in het studentencafé waar ik als portier werkte een gevecht tussen twee dames moeten beëindigen die vochten om een vriendin, die lichtelijk verveeld de uitslag van het gevecht afwachtte alvorens haar gunsten te verlenen. Deze dames deden het inderdaad heel anders dan wat ik van vechtende vrouwen gewend was. Vrouwen die onderling in fysiek gevecht verwikkeld raken vallen elkaar meestal aan met hun nagels, om niet zelden te eindigen in een patstelling, met hun handen stevig gewikkeld in elkaars haardos. Voor niet-betrokken toeschouwers kan dit hilarische taferelen opleveren, maar echt leuk is het niet. De lesbiennes uit mijn kroeg sloegen met de blote vuist op elkaar in, en de verliezer moest ik helpen met haar blauwe oog.

Bovenstaande anecdote ging natuurlijk in tegen de gedachte die de docente verkondigde, maar als je je in dat soort zaken aan casuïstiek schuldig gaat maken blijf je aan de gang. Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig wat haar onderzoek had opgeleverd. Dat viel niet mee, want het bleek niet zozeer om een kwantitatieve maar een kwalitatieve analyse te gaan. In het kort: een theorie gebaseerd op een gedachte, met vrij selectieve ondersteuning. Dat werd me te gortig, en ik besloot bij de gelegenheid tot vragen na afloop een duit in het zakje te doen.

Hoe doe je zoiets? Je stelt eerst twee domme geïnteresseerde vragen (enthousiast bevestigend beantwoord), om zeker te zijn dat het zo bedoeld was als het klonk, om af te sluiten met de derde vraag: "Dus, ... eh .., als ik het goed begrijp, zijn lesbiennes eigenlijk betere mensen?"

Dat was natuurlijk niet aardig, maar wel volstrekt dodelijk. Hoe pijnlijk de denkfout in de formulering van het basisprincipe was, was ook de zaal helder.

Aan bovenstaande moet ik vaak denken, als ik in de reacties onder een willekeurig stuk mensen met het argument zie komen, dat de 'linksen' toen en toen zich toch zo vreselijk misdragen hebben, in een poging hun eigen gelijk te versterken door anderen moreel onderuit te schoffelen. Zelf maak ik de kracht van mijn argumenten niet graag afhankelijk van het morele handelen van anderen, want het is eerder een zwaktebod dan een versterking van wat je betogen wilt. Bovendien maak je je ontzettend kwetsbaar, want als iemand uit 'eigen' kring zwaar over de schreef gaat, haalt dat je eigen argumenten met terugwerkende kracht onderuit.

De mensen die zich van dit type argumenten bedienden zullen we de komende tijd niet meer horen. Ze hebben vorige week hun onschuld verloren. De moordpartij in Noorwegen heeft voor langere tijd een einde gemaakt aan de basis van morele zelfingenomenheid waarmee dit soort argumenten gewoonlijk wordt gehanteerd, en dat is een klein positief punt. De Pavlov-reacties die op dit moment op sites van de politiek tegengestelde zijde los zijn gemaakt, zijn natuurlijk van hetzelfde laken een pak. Maar op dit moment kan ik niet anders dan ze beschouwen als een gevoel van opluchting, dat men het ongemak dat men erover hoe dan ook moet hebben ervaren, achter zich kan laten. Want al vallen de aantallen in het niet bij wat een Pol Pot heeft aangericht, de gedachtenpatronen in de denkwereld van Anders Breivik lijken sterke overeenkomsten te hebben met die van deze psychopathische moordenaar.

Het valt in ieder geval te hopen dat mensen die deze manier van debatteren tot hun handelsmerk hebben gemaakt, zich de komende tijd wat stiller zullen houden. Wat zou helpen, is dat opiniemakers van beide zijden van het politieke spectrum dit eens helder zouden uitspreken, en er van tijd tot tijd nog eens op terugkomen. Moreel geschreeuw is in een debat eerder verstikkend dan verhelderend.